Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zeer zeker moet dit onderscheiden door ons, menschen van de 20ste eeuw, geleerd worden. Het is gemakkehjk genoeg op die 18de-eeuwers neer te zien met een hooge meerderheidsglimlach en wie verder gaat dan zijn letterkundeboek en proza en poëzie van dien tijd zelf in handen neemt, zal zonder j veel inspanning het „typisch 18de-eeuwsche" ontdekken en veel curieuze voorbeelden kunnen verzamelen van hun eenzijdig, verstandelijke levensbeschoiiwu^, hun oppervlakkig optimisme, hun redeneerzucht waar wij gemoedsuiting zouden verwachten erfüaarnaast hun weeke gevoelszwelgprfr En dan teekent men zich in groote lijnen het beeld van dien t\jd j Verlichting met haar verhftp.rlijkiTlg van rip KpHp, riaarW^rv^ bekrompen zelfverheerlijking, vooral in de literatuur, sentimen! taj^itentevens' gebrek aan waarachtig gevoel. Maar daarmee w blijït men^aah dén buitenkant. Zoodra we ons wat méér losmaken van onze eigen manier van denken en voelen, hen naderen in 't vertrouwen dat er onder zooveel stijfheid en verstandelijke redeneering even goed 't waarachtige leven schuilt met zijn hoogten en diepten, dan leeren we meegeven in hun denk- en gevoelsrichting en wikkelt zich langzamerhand uit de ons vèrstaande uitdrukking het leven los. Dan blijkt het leven van dien tijd, ook in ons land, veel gecompliceerder j dan de eerste schablone-achtige voorstelling deed vermoeden;: er is, als in eiken overgangstijd, blijdschap om 't nieuwe dat;

• is gevonden of verwacht wordt, en smartelijke onrust bij anderen om 't oude, dat zijn levenskracht verliest. Er is strijd daardoor van richtingen, felle strijd dikwijls, maar ook weifeling en moeizame groei in 't geestelijk leven van den

* enkeling. In onze literatuur wordt deze periode typisch vertegenwoordigd door Betje WolffjDe voortreffelijke dissertatie van

Dr. Ghysen teekent ons uitvoerig haar geestelijke ontwikkeling, fj Onder meer dringt zich daarbij aan ons de erkentenis op, hoe allerlei in onze oogen dorre redeneering voor de menschen van dien tijd wel degelijk stichtelijk en ontroerend kan zijn; hoe de vereering van de Rede waarlijk nog wat anders was dan de overschatting van het verstandelijk element: het dankbaar ervaren van een reëele, vaak bevrijdende machta die invloed had op hun leven; terwijl omgekeerd het gemoeds-j leven zijn bestaansrecht ondanks alle verstandelijkheid han&Jf haaf de en ook in dezen „het bloed kroop, waar het niet gaan kon.l|

!) Betje Wolff in verband met het geestelijk leven van haarj

iiju. deugu en nuwenjKsjarent

Sluiten