Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te worden, daar zij voor zijn persoon en werk in 't algemeen kenschetsend is. Schoon meermalen uit spontanen drang zijn persoonlijk religieus leven vertolkend, schrijft hij toch blijkbaar niet, zonder dat andere en in zijn oog hoogere doel voor oogen te hebben, het belang zijner lezers. Zoo verklaart hij zijn eersten bundel „Froeve van Btlgfelijfee Mengelpoëzy" te hebben uitgegeven „tot stigting en vermaak" l) en in zijn latere „Gezangen" is 't zijn uitgesproken streven het kerkelijk lied der gemeente op hooger peil te brengen. Dit is meer dan een uitvloeisel der nuitiglieidstheorie, die in dien tijd onafscheidelijk aan het begrip poëzie verbonden was; het is mee een gevolg van zijn verlangen naar vernieuwing en vooruitgang. Behoudend in zijn godsdienstige en politieke overtuigingen, was hij toch allerminst een vijand van het nieuwe. Op velerlei gebied hinderde hem het dorre en duffe onzer cultuur, terwijl hij met eigenaardig eerbiedig enthousiasme in zich opneemt, wat het buitenland hem nieuws en goeds openbaart. En met echt achttiende-eeuwsch geloof in het vermogen van goed inzicht en goeden wil, slaat hij gaarne en veel „de hand aan 't werk" om dat nieuwe en goede ook voor zijn landgenooten toegankelijk en aantrekkelijk te maken. Zoo tracht hij de „Cantate", die door hem bijzonder genoten vereeniging van poëzie en muziek, hier in te voeren. Hij vormt zich een vrij uitgewerkte theorie over dit nieuwe genre, schrijft er zelf drie en hoopt vooral hierom op waardeering, omdat dan meerderen en grooteren dan hij zich op deze nieuwe poëzie zullen toeleggen. „Ik ging dan met lust en ijver aan den arbeid!" deze uitdrukking komt telkens terug in zijn voorberichten. Ze teekent den man en zijn werk. Het opbouwen van het nieuwe had meer zijn hart dan het bestrijden van wat hem niet beviel. Als hij b.v. voor zijn kinderen geen geschikte uiteenzetting vindt van de geloofsleer zijner kerk, dan bestaat zijn kritiek slechts in het schrijven van een eigen leerboek voor huiselijk gebruik: „De Gronden mijner geloofs-belijdenis, opengelegd voor mijne kinderen".

Echte zoon van zijn tijd, beperkt zijn paedagogische ijver zich niet tot zijn gezin. Ook hij voegt zijn „Christelijke Spectator" toe aan de lange reeks van spectatoriale geschriften.

„Vermaak" heeft hier een andere beteekenis-nuance dan de tegenwoordige. Het heeft de meer edele beteekenis van genieten, die echter ook door het woord „genot" niet geheel gedekt wordt.

Sluiten