Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

strijd is hem het rustig opbouwen van een beter inzicht in de kunst. Want, hoewel hij zich steeds meer vrijmaakt van het denkbeeld, dat de kunst in letterlijken zin „door arbeid wordt verkregen', heeft hij toch altijd behouden een buitensporig hooge gedachte van het nut der theorie voor den kunstenaar zelf. Deze overtuiging is de drijfkracht, die hem, terwille van eigen poëzie en ten behoeve der aankomende dichters Riedels „Theorie der Schoone Kunsten" doet vertalen, een compilatie van al wat over de aesthetica in den raatsten ; tijd verschenen was? In zoo ver is zijn streven op zich zelf aï een getuigenis van de achttiende-eeuwsche miskenning van het spontaan-onbewuste karakter der kunst. Maar dit doet niet af aan de belangrijkheid van zijn werk. Vooreerst plant hij in ons land over de jonge wetenschap der aesthetica en doet hij zoo zijn landgenooten over allerlei quaesties nadenken, die nog andere uitzichten in kunst en psychologie openen dan de gewichtige vragen der toenmalige verhandeling over spellings-finesses of over de beste wijze van Hooft en Vondel na te volgen. En bovendien — al vertalend en vergelijkend verovert Van Alphen zich temidden van een geweldigen vloed van Fransche, Engelsche en vooral Duitsche lectuur een eigen standpunt. In de bewerking van Riedels theorie ziet men hem zoeken en hier en daar aarzelend of beslist van zijn origineel afwijken. Aardig is in dit opzicht zijn hoofdstuk over den Humor, waarin o.a. zijn persoonlijke werkwijze uitkomt, die niet alleen theoretisch deduceert, maar ook aan de kunstwerken zelf zich de begrippen zoekt duidelijk te maken.

In zijn Digtkundige Verhandelingen komt Van Alphen tot een meer vrije uiteenzetting van zijn opvattingen. Hij stelt zich daarbij scherp tegenover de verhandelaars, die in een navolging van de meest kleingeestige soort, in het afneuzen van de zegswijze en beeldspraak van Hooft en Vondel het ideaal van poëtische vorming zagen en hij laat geen gelegenheid ongebruikt om die mengeling van autoriteitsgeloof en zelfgenoegzaamheid aan te tasten. Dit was het opvallende van zijn werk in de oogen zijner veelal gegriefde tijdgenooten. Voor ons is interessanter zijn inzicht in het wezen der kunst, dat zich gaandeweg verdiept. Hij heeft het toen nog haast algemeen geldend principe van Batteux: „Kunst is de nabootsing der (schoone) natuur" met beslistheid verworpen, zich aansluitend aan schrijvers als Schlegel en Mendelssohn. Zonder nog tot een ander algemeen grondbeginsel te kunnen komen, vindt hij voor de lyriek althans dit principe, dat

Sluiten