Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

poëzie de persoonlijke ontroering in woorden verzinnelijkt, daarbij bijzonder zuivere dingen zeggend over het muzikaal element in des dichters taal en het onmiddellijk verband van gemoedsbeweging en wat hij de harmonie en de melodie noemt. En ook in dit opzicht komt hij boven de oude opvattingen uit, dat hij voor de kunst een eigen terrein opeischt, afgescheiden van dat der wetenschap, waar hij de schoonheid ziet als zijnde voor de aanschouwing en niet voor het begrip.

| De poëzie moet spreken tot het hart door middel van de verbeelding. Bij dit alles steunt hij natuurlijk op zijn lectuur,

1 niaar daarnaast beroept hij zich telkens op zijn eigen ervaring als dichter en als kunst-genieter. En men krijgt' den indruk dat juist deze ervaring hem gevoerd heeft tot een voor dien tijd merkwaardig diepgaand inzicht in het wezen van den kunstenaar, een begrijpen in beginsel van het onbewuste werken der fantasie, en van de beteekenis der emotie, waarmee hij overschrijdt de grenzen van zijn land en tijd, die veelal de kunst ziet als een min of meer opzettelijke en aan te leeren vaardigheid, en reikt tot de sfeer der groote buitenlandsche aesthetici, wier dankbare en toegewijde leerling hij was.

Ik heb getracht door het opnemen van tamelijk uitvoerige stukken van deze denkbeelden en vrij volledigen indruk te geven en ook nu weer weinig bekort, om den lezer, die Van Alphen's werk alleen uit deze bloemlezing leert kennen, geen geflatteerden indruk van zijn bondigheid te geven en zijn soms moeizaam tasten naar het juiste begrip te doen uitkomen. Voor een nadere uiteenzetting van de aesthetische „quaesties" dezer periode en Van Alphen's houding daartegenover, verwijs ik naar mijn dissertatie over „Van Alphen's literair-aesthetische Theorieën.

Sluiten