Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UIT: STICHTELIJKE MENGELPOËZY

1772.

DE VROLIJKE REIZIGER.

Wijk, wereldsch gewemel, Ik moet naar den hemel, Verhinder mij niet. Weg zonden ! zwijgt lusten! Ik wil hier niet rusten In 's vijands gebied.

'k Zal bosschen en stroomen, En rotsen niet schromen; Maar t veilige pad Kloekmoedig betreden, Dat Jezus beneden In 't reizen betrad.

Met Hem wil ik zwerven, En 't wereldsch goed derven:

Wat geve ik om schijn ? 'k Zoek schatten van waarde En wil hier op aarde Een vreemdeling zijn.

Ik lach om haar gaven; Haar dienaars zijn slaven, Wier zeden en spraak Mij nimmer bekoren: Ik wil ze niet hooren; Weg ij del vermaak !

Veel schatten zijn bceyen, Vertragen het spoeyen Naar 't hemelsch paleis, 'k Heb alles, mij noodig, En al 't overbodig Belemmert op reis.

Sluiten