Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ja, hoor dit, wereld! tot uw smart!

Gij zoekt mij te veroovren;

Maar 'k ben geen meester van mijn hart:

't Is Jezus ijver, dien ge tart;

Hem zult ge nooit betoovren.

Dat ik uw minnaar ben geweest, En Jezus heb verlaten, Dat smart mijn ziel nu allermeest. Het is Zijn min, die mij geneest; Uw minnen is maar haten.

Ja, Jezus, 'k zag Uwe oogen aan, Daar ze om mijn onheil weenden: Die liefde kon ik niet weerstaan. Wil steeds die oogen op mij slaan, Die mij met U vereenden!

Maar ach! ik woon hier in een land, Waar Delilas vergaren; Zij stoken valschen minnebrand! Ik geve U oog, en hart, en hand: Wil die voor U bewaren.

'k Ben wel die gunste onwaardig door

Mijn trouweloos hoereren;

Maar doet Uw min, die mij verkoor,

En nimmer uit het oog verloor,

Mij ook niet wederkeeren?

Zoo wordt gena, genade alleen, Waarop wij, zondaars, hopen, Steeds als mijn wellust aangebeên, En zou die mij verlaten? — Neen! Zij sluit Uw hart reeds open.

Getrouwe Minnaar! toon Uw magt! Uw min deed mij verlieven: Uw trouw, waar van ik alles wacht, Moet door dezelfde liefdekracht Op nieuw mijn boezem grieven!

Sluiten