Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar, als Ge mij naar liefde vraagt, Waar in zal ik ze U toonen? Of zoude in 't hart, dat zich beklaagt, Als 't welk tot U geen liefde draagt, De minste liefde wonen?

Die lust tot liefde, o lievend Hoofd! Is door geen hel verslonden. Al is 't een vonk van gloed beroofd; Ze is bogj geheel niet uitgedoofd Door al den vloed der zonden.

Gij Jezus! die dat vonkje voedt! Kunt meerder liefde kweeken, Ai, laat dan in mijn jong gemoed Een vlam van zuivren liefdegloed Door alles henen breken!

Dat nooit Uw glans mijn oog verveel', Nooit afneem' door gewoonheid, Steeds voor mijn peinzende aandacht speelt Mijn hart vervuil', mijn zinnen streel', Bekorelijke schoonheid.

Laat al, wat in de wereld is, Mij zonder U mishagen! 'k Moet nooit in deze wildernis, Daar 'k menigmaal Uw bijzijn mis, Dat onverschillig dragen!

Laat mij geene ij die minnepijn Tot dwaze klagten dringen! Drenk gij mij met Uw liefdewijn! Dan zult ge 't eeuwig voorwerp zijn, En 't sieraad van mijn zingen.

Mijn togten gloeyen reeds, o Heer! U wil ik alles geven. Ontsteek dat jeugdig vuur nog meer, Dat elk in mij Uw beeldtnis eer', Uw liefde in mij zie leven.

Sluiten