Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dies moet ge zoo niet schreven, Wanneer uw wichtjes scheven Uit jammer en ellend. Dan moet ge uw Vader danken, Terwijl gij deze klanken, Hun na, ten hemel zendt.

Dit kindje sloot zijne oogen, En ligt in 't stof gebogen, Schoon 't pas op aarde trad: 't Was wars van haar gewemel, 't Verlangde naar den hemel, Wijl 't daar zijn Vader had.

Toen vlogen Cherubyntjes, En vlugge Serafyntj es Het krijtend schaap op zij : Zijn klagen wekte erbarmen; Zij voerden 't in hunne armen, 't Gestarrente voorbij.

Zij sierden het met kroontjes; Zij leerden 't hemeltoontjes, Terwijl het opwaarts vloog: En 't wichtje, wel te vreden, Zag lachend naar beneden, Van waar het schreyend toog.

Zij bragten 't, zonder rusten, Aan de eeuwig blijde kusten, Waar 't altijd lagchen zal, En van geen schreyen weten: Maar al 't gehuil vergeten Van 't grimmend tranendal.

Ja, 't schaapje, dat op aarde Maar smart bij smart vergaarde, Dat voelt geen pijnen meer. Is 't lijkje fel geschonden Met diepe en vuile wonden; Het zinkt in de aarde neer.

Sluiten