Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geloovigen! wij vinden

Waar we immer komen, vrinden

Van 't hemelsche geslacht.

Geen doodsvallei zal 't hinderen;

Wij worden van de kindren

In 's Vaders huis gewacht.

DAMON, DE HEILIGE BLIJDSCHAP.

VELDZANG.

Naast bij het golvend graan, ter zijde van een beek,

Was Damon, afgemat van 't werken, neergezeten:

Juist voor hem lag een klaverrijke streek,

Waar in zijn hongrig vee thans bezig was met eten.

Zijn blij gezigt werd nu door 't schoon verschiet verrukt,

't Vloog ginds en herwaarts heen, naar bergen en valleyen;

Zijn geest, door zorgen niet gedrukt,

Verzelde 't alziend oog, ging vrolijk spelemeyen.

Dan zag hij 't kabblend beek]en aan,

De vischjes dartelend daar in de vinnen slaan;

Met welk een blijdschap mogt hij 't boekweitland begluren!

Ter zijde rees de tarwe en rogge om hoog,

Ginds streelde een boomgaard, hier een koolhof 't weidende oog;

Zoo sleet hij met vermaak de heetste middaguren.

Maar Damons ziel zag nog veel meer:

Zij zag in heilbespiegelingen,

De geestelijke zegeningen

Van Jezus, zijnen Heer. Dit was het, dat zijn hart van dankbaarheid deed gloeyen,

En dezen herderszang van zijne lippen vioeyen:

Mijn hart springt op van vreugde in God; Hij is mijn deel; o zalig lot!

Wie heeft er op deze aarde

Een schat van grooter waarde? Mijn schaapjes hebben overvloed, En ik bezit een eeuwig goed!

Ik, de armste van de menschen!

Wat zoude ik meerder wenschen?

Sluiten