Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'k Mag om al, wat nuttig is Tot de Godsvrucht en 't genoegen,

In deze aardsche wildernis, Bidden, waken, strijden, zwoegen:

't Faalt me niet, 't is weggelegd; 'k Heb geen penning uit te schieten;

Maar ik zal, om Jezus regt, Onbekrompen 't al genieten.

Al dien rijkdom, al dat goed Won mijn Vorst door hevig strijden,

Kocht mijn Borg voor zweet en bloed, Kreeg mijn Hoofd na 't bitterst lijden

Hemel! zou 't geen liefde zijn, Die voor snoode hellewichten

Wou verdragen zoo veel pijn, Zoo veel arbeid wou verrigten.

Acht men zulk een goedheid niet? Kan die Liefde 't hart niet raken,

Die haar rijkspaleis verliet, Om haar vijand rijk te maken?

Die van duivels is bespot, En op ons Zijn Geest doet dalen;

Die verlaten is van God, Om bij God ons in te halen?

Liefde leef! Uw heerschappij Doe mij meer naar U gelijken!

Rijke Jezus, leef in mij, Dien uw bijzijn moet verrijken!

't Is mijn blijdschap, 't is Uw lust, Dat Uw deugd in mij moog leven,

En ik wacht geene andre rust, Dan U eeuwig eer te geven.

Alles, daar men U in eert, Dat mij aan Uw dienst kan binden,

Worde alleen van mij begeerd, Om Uw liefde er in te vinden.

'k Zal U als mijn bruidegom, 'k Zal U als mijn rijkdom, roemen,

Eeuwig, als ik bij U kom U de rijke liefde noemen.

Sluiten