Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AVONDLIED.

VELDZANG. *

Gij, heerschende stilte, gebiedt ons te luistren: \

Ontzaggelijk zwijgen van hemel en aard! 'k Hoor niets, dan de stem van mijn eigen geweten,* De stem van mijn God.

De dag is ten einde, k moet rekenschap geven:

Mijn dagen verdwijnen, als dauw voor den wind; De dagen verdwijnen, maar, o! de verpligting Tot rekenschap niet.

Mijn God is nabij, die alwetende Rigter;

Hij woont in den Hemel, en is, daar ik ben. Maar hier in het suizen dier lieflijke stilte, Hier nadert Hij ons.

Eerbiedige stilte! — zóó stil zal het wezen,

Als alles moet zwijgen in "t jongste gerigt; i Als ieder zijn vonnis, en ik ook het mijne, Voor eeuwig verwacht.

Eerbiedige stilte! zóó stil is het heden,

Nu 't wekkend geweten mij dagvaardt voor God: 'k Moet rekenschap geven — de schepselen zwijgen, De Alwetende hoort.

V/at was mijn bedoeling ? — Gods eer of de mijne ?

Wien wilde ik behagen? — de wereld of God? Al weten 't geen menschen, al zagen 't geene Engelen, God proefde mijn hart.

Gij moogt mij verstooten, Regtvaardige Rigter!

Gij ziet mijne zonden; 'k heb alles bevlekt, Uw lessen verwaarloosd, Uw liefde vergeten, Uw gramschap verdiend.

Uw gramschap, mijn Regter! De hemelen beven, Een Engel bedekt zich; — hoe nader ik U ? Maar Gij, vergezeld van Uw Zoon, den Geliefden, Gij nadert tot mij.

Sluiten