Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijn oog is op Hem; — en ik zie ook Uwe oogen, Die éénmaal Hem zagen genageld aan 't kruis'; Uwe oogen, in liefde gevestigd op Jezus, Gevestigd op mij.

Ja, Vader, 'k gehoorzaam, Uw wil is de mijne;

Uw wil is mijn heil, en mijn heil, is Uw eer: Uw wil is de mijne; 'k verlaat mij op Jezus, Op Jezus alleen.

Och ! zondigde ik nimmer! — die tijd zal eens komen :

Gods vaderlijke oogen bemoedigen mij; Zijn trouw zal niet falen, al ben ik nog zondig: Och ! zondigde ik nooit!

Die dag zal eens komen, de jongste der dagen:

De nacht van de zonde verdwijnt voor dien dag Mijn Koning, mijn Voorspraak verschijnt om te rigten; Ik wacht op Zijn komst.

Ik wacht op dien morgen — mijn Koning, mijn Voorspraak'

Uwe Engelen waken, al slaap ik in 't graf; De nacht zal verdwijnen; maar nimmer, o Jezus! Uw liefde tot mij.

'S MENSCHEN LOT.

Hoe, mijn ziel! Zoo treurig en verslagen;

Waarom toch bezweken voor 't verdriet ? 't Graf alleen is de eindpaal van het klagen;

Zuivre blijdschap geeft de wereld niet.

Wangen, daar men rozen op zag bloeyen,

Worden koud en bleek door vrees of' smart.

Heldere oogen doen ook tranen vloeyen;

Angst beklemt somtijds het moedigst hart.

Zalen, daar men onlangs zich vermaakte, Kleedt men kort daarop in rouwgewaad.

't Goed, waarnaar men 't allervurigst haakte, Is 't wel eens, dat ons het eerst verlaat.

Sluiten