Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gestadig langs de wangen. Dat lief en lagchend wezen, Waar Godsvrucht en opregtheid Bevalligheid en blijdschap Zoo klaar op is te lezen, Doet mij dan bitter schreyen, Omdat ik haar moet missen. Ik, — nog geen negen jaren. Wat heb ik niet al uurtjes Met nut bij haar gezeten, Wanneer zij mij, al spelend, Het een en ander leerde! Maar 't zal mij altoos heugen, Hoe zij mij bij haar sterven Voor 't laatst nog eens omhelsde.

Ik kan er niet aan denken,

En 'k doe het toch zoo gaarne.

Toen zei ze: „lieve Klaartje!

„Uw moeder zal haast sterven,

„En van deze aarde scheiden,

„Om in den blijden Hemel

„Bij de engelen te wonen;

„Hoor dan mijn laatste woorden,

„En geef mij 't laatste kusje.

„Eer God, bemin uw vader!

„Groei op in deugd en wijsheid!

„En wilt ge vrolijk leven,

„Leer vroeg de zonden haten.

„Maar hebt ge eens kwaad bedreven,

„Dan moet ge *t gul belijden;

„En God, om Jezus wille,

„Zal u vergeving schenken.

„Maar ziet ge dan, mijn Klaartje

„Op aarde mij niet weder,

„Zie dikwijls naar den hemel,

„En zeg — daar woont mijn moeder.

„Ach! zag ik na uw sterven

„Mijn kind ook daar verschijnen,

„Hoe zou ik mij verblijden,

„En God eerbiedig danken;

„Voor u, mijn lieve Klaartje!

„Is ook de hemel open.

Sluiten