Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN BRIEF VAN KAREL aan

ZIJN ZUSJE KAATJE.

Zusjelief! ik laat u weten,

Dat ik, sedert uw vertrek, In mijn kamer heb gezeten,

Meidlief! met een stijven nek. 'k Dacht, ik zal u toch eens schrijven,

Want het weder is zoo guur, Dat ik steeds in huis moet blijven, En dat smaakt niet op den duur. 'k Heb met u vrij wat te praten ;

Dikwijls denk ik, was ze hier! Maar dat denken kan niet baten,

Daarom praat ik op papier; | Schrijven, moet men, zegt papaatje, | Even zoo, als of men praat; Daarom zal ik, lieve Kaatje,

U vertellen, hoe 't mij gaat. 'k Was eerst knorrig, dat Klonnde

U van huis en met zich nam; 'k Was wel blij, dat ze u beminde. Maar wat doet ze te Amsterdam? Zei ik; — was ze hier gebleven;

'k Had haar graag mijn beste prent Voor een nieuwe] aar gegeven ;

O' wij zijn zoo saam gewend. Maar wat hielp toch al dat klagen!

Kaatje-zus was heengegaan: 'k Wende dies, in weinig dagen,

Schoon uit nood, daar langzaam aan. Daarop, door me in 't zweet te loopen,

Heb ik zware kou gevat: 'k Moest dat spelen duur bekoopen,

Ach! wat heb ik pijn gehad! % Mogt dan dit, dan dat met eten;

*k Sliep ook somtijds niet van pijn; En ik wou gedurig weten,

Of het haast gedaan zou zijn. 'k Had geen lust in lezen, schrijven, Ja, zelfs in mijn prenten niet;

Sluiten