Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En zoo lang in bed te blijven

Gaf mij telkens veel verdriet. Vader wilde mij vermaken;

Moederlief deed, wat ze kon; Maar zij moesten 't schielijk staken,

k Was al moede eer ik begon. *k Vreesde, dat het nooit zou lukken,

En wanneer ik ledig zat, Kreeg ik bijster kwade nukken,

Wijl ik geen geduld meer had. k Zei in 't eind: — dat ledig wezen

Kan toch nooit voordeelig zijn. 'k Narn een boek; ik ging wat lezen;

En ik voelde minder pijn. Ook begon ik wat te schrijven,

En wanneer ik prenten zag, Kon ik op mijn kamer blijven,

Met vermaak, den heelen dag. Vader zag mij eens beginnen Aan een kleine teekening, Moederlief kwam daar op binnen, Om te zien hoe 't met mij ging. k Was, zij zagen 't, wel te vrede;

k Was niet knorrig als voorheen; k Praatte nu en dan eens mede;

'k Zei niet kort af: ja of neen' Zoo versleet ik gansche dagen, ' Schoon op ver na niet hersteld Maar dat kniezen en dat klagen,'

Heeft mij sinds niet meer gekweld Vader zegt, 't kan meer gebeuren,

Dat ik niet welvarend ben; Maar ik zal te minder treuren,

Hoe ik meer daar aan gewen. Die zich naar Gods wil kan voegen (Zegt hij) met een stil gemoed, ' Smaakt in ziekte zelfs genoegen;

God is altijd wijs en goed. Nu vaarwel, aanminnig meisje!

Ieder in ons huis verlangt, Dat ge een eind maakt van uw reisje Als gij dezen brief ontvangt

Sluiten