Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ZON.

Als ik de zon zie schijnen, Die met haar lieve stralen Deze aarde vrolijk koestert, Op dat er kruiden groeven, Om vee en mensen te spijzen; Die 't licht ons doet genieten, Om toch verheugd te werken, En vergenoegd te leven; Dan denk ik met aanbidding, Hoe groot moet God niet wezen! Die zon heeft Hij geschapen! En dat uit enkel liefde.

UIT: MENGELINGEN IN PROZA EN POËZY

1783—1802.

HET VERDRAG.

Eene Vertelling.

Schrijflust, ach! die zorgenkweekster,

Aan mijn bijzijn zoo gewend; Is de schoone, die mij telkens

Naar een eenzaam hoekje zendt. Dikwijls zat die vleister lachend

Voor mijn oog met inkt en pen; Dikwijls zag ze ook, hoe gewillig

Ik hare overmagt erken. Wilde ik eens haar regt betwisten, Weigren 't geen ze mij gebood; 'k Zag dan, eer ik 't kon ontvlugten,

Boog en pijlen in haar schoot. Soms begon ze mij te prijzen;

Zeker meer dan ik verdien: Of zij liet wel eens gramstorig

Mij een fronslend voorhoofd zien. 'k Zat dan dubbend en verlegen,

Sluiten