Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Elk te leiden tot zijn pligt. * „Lage straattaal te verbannen,

„Bang te zijn voor woordenpraal. „Onmeedoogend te verwijzen

„Achterklap en lastertaal. „Deugd en Godsvrucht aan te kweeken;

„Zedeloosheid af te raan, „Slechts met woorden niet te pralen, « „Maar met daden voor te gaan. „Nimmer zich in twist te steken,

„Zoo de nood het niet gebiedt, „'t Goede en schoone te verheffen,

„Schoon men 't in zijn vijand ziet. „Minder op den roem te staren,

„Dan op 't nut van land en stad. „En geen boeken vol te schrijven,

„Als men 't doen kan met één blad. „Straks de veder neer te leggen,

„Als de pligt ons elders wenkt, „Gode alleen den roem te geven,

„Dat Hij lust en krachten schenkt, „Ja, zich zoo aan u te wijden,

„Schrijflust! dat men te aller tijd „Blijken omdraagt, dat ge op aarde

„Een geschenk des hemels zijt."

Zoo werd ons verdrag gesloten,

Zij was vrolijk, ik te vrêen; Naauwlijks had het tien geslagen,

Of zij ging gewillig heen. Toen zij wêer mij kwam bezoeken,

En gebiedend op mij zag, Was 't verdrag door ons ge teekend,

't Eerste, dat op tafel lag. Schrijvend las ik steeds de wetten;

Schreef en schrapte tienmaal door. Naauwlijks was ik aan 't beschaven,

Of ik las ze bevend voor. Eindlijk kwam er deze bundel,

Die de zwakke poging toont Van een schrijver, in wiens boezem

Zucht tot wet en vrijheid woont.

Sluiten