Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reist vrolijk, mijn zangen,

Waar heen ik niet kan; Haast kus ik haar wangen,

Maar meldt er niets van. Getuigt van mijn liefde,

Al kom ik niet meê. Neen zwijgt van mijn liefde,

Zij weet die alree.

DE AVONDWANDELING.

Laatst ging ik met Elize In 't eenzaam boschje wandlen Waarin wij eiken avond Gewoon zijn God te loven, En vergenoegd te praten * Van liefde, deugd en Godsdienst. De tintelende starren Verschenen aan den hemel; Maar met een bleeken eerbied, Zoodra de maan haar glanzen, Op 't zwijgend aardrijk spreidde; Met duizend lieve lichtjes Door duizend takjes speelde; En zich in 't beekje spiegelde. De reuk der kamperfoelie, Seringen en jasmijnen, Vermengd met hagedoren, En leliën der dalen, Vervulde 't somber boschje, En stroomde langs ons henen, Zoo mild, zoo zacht, zoo liefelijk Als in het zalig Eden. De stilte was welsprekend, En alles lag gedoken In eene zachte sluimer; Terwijl natuur haar balsem Met stilte stroomen uitgoot: De nachtegaal sloeg langzaam, En alles scheer te luisteren.

Sluiten