Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Koor.

Deze aarde zelf heeft Hem gedragen; Zij is de parel van 't heelal. In haar schiep Jezus welbehagen, Hij nam haar op in haren val. Al rollen daar tienduizend zonnen Rondom het ongenaakbaar licht; Hier is Zijn levensloop begonnen, Hij heeft Zijn zetel hier gesticht.

Solo.

Gij englen, die op starren treedt,

Aanschouwt met eerbied onze woning;

Schoon gij met luister zijt bekleed,

Uw vorst is hier ook Koning,

Wij zijn ook schakels in 't heelal,

En leden van het rijk, dat eeuwig bloeijen zal!

Koor.

Juich, Hemel! juich! De Koning leve! Zijn rijk groeije aan in deugd en magt. Dat al wat leeft Hem eere geve, Voor 't geen Zijn goedheid heeft volbragt. Grijpt moed, bedrukte stervelingen! Loopt hier uw pad door een woestijn, De schepping zal eens zamen zingen, En God in allen alles zijn.

GEMENGDE GEWAARWORDINGEN. I.

O Menschenvriend! Gij leeft in eeuwigheid,

En zegepraalt aan 's Vaders regterhand!

Uw oog doorloopt het onbegrensd heel-al

En ziet op mij, uw arm, ellendig kind.

Gij kent den worm, die aan mijn blijdschap knaagt,

Omdat de vonk van liefde in mijne ziel

(Die branden moest) in de asch verborgen ligt.

En ach! wat raad, wat troost voor 't bang gemoed,

Dat zonder U niet vrolijk leven kan.

Zoo kwijnt een bloem, wanneer de hondstar brandt,

Sluiten