Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij, die zijn eigen weg wil gaan, Ziet dwaallicht soms voor starren aan; En gaat hij op dit schijnsel door, Dan dwaalt hij ligt van 't regte spoor.

God kent alleen het naaste pad, Dat uitloopt op de hemelstad, Hij weet, wanneer in ons gemoed Een roos of doren voordeel doet.

'k Neem dan vertrouwlijk, wat Hij geeft; Daar die verwachting in mij leeft: Dat elke last, mij opgeleid, Een bron zal zijn van zaligheid.

Ik wandel gaarne bij het licht

Van Zijn vertroostend aangezigt

'k Gevoel 't met vreugde, als Zijne kracht

In mijne zwakheid wordt volbragt.

Maar is mijn ziel van licht beroofd: Van vreugde ontledigd; afgesloofd; Dan blijf ik zien, in dat gemis, Op Hem, die licht en leven is.

Die dragen wil en redden zal, Wien nooit de wolf één schaap ontstal, Heeft zijne liefde en trouw verpand, Voor onze komst in 't vaderland.

V/aar ons geen schepsel helpt, helpt Hij; Als alles vlugt, staat Hij nabij ; In rust en vreugde, in nood en strijd, Blijft Hij dezelfde, t' allen tijd.

Als wij de doodsvallei betreen, Laat ons de beste vriend alleen. Maar Jezus draagt ons in zijn schoot, Tot aan, en over, graf en dood.

Die tijd komt stil, maar zeker aan, Als ik mijn grafplaats in zal gaan, Bereid u voor dien stond, mijn geest; Opdat ge dan niet ij del vreest.

Sluiten