Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JIT DE KLEINE BIJDRAGEN TOT BEVORDERING VAN WETENSCHAP EN DEUGD (1796).

Sta pal, mijn vriend! Het hart ontvalle u niet!

't Moog stormen zoo het wil, de Heer regeert!

De ontroerde zee, der golven hol geklots

Stuwt ons, van lieverlêe, ten haven in.

Verzonk er menig schip in dezen vloed,

Green nood voor ons, de Stuurman, die ons voert,

Heeft nooit een kiel op 't barnend strand gezet.

Zoo wijs als sterk, is Hem geen klip te blind,

Geen zee te hoog, geen onweer te verwoed;

Hij vordert slechts, dat men gerust en stil

Zijn lessen volge, en 't voorts aan hem betrouw:

Gelukkig hij, die, als de wijnstok treurt,

De vijgenboom niet bloeit, de olijfboom liegt,

Het veld geen spijs, de stal geen runders geeft,

Zich echter in den God zijns heils verheugt;

En opspringt in Jehovah, blij te moê,

Zijn kronklend pad, hoe scherp, hoe eng, hoe steil,

Loopt veilig op het huis zijns Vaders uit.

UIT:DEN CHRISTELIJKEN SPECTATOR (1799).

't Leven is een school der wijsheid, Waar het Godgewijd gemoed, Aan de hand eens trouwen Vaders, Teederlijk wordt opgevoed. Aan die sterke hand zich hechtend, Dringt men heen door angst en druk; Wordt bewaard bij rust en vrijheid; Voorbereid voor waar geluk.

AFSCHEID.

DICHTSTUKJE.

II.

Sluiten