Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zalig hij, die deugd bij sterkte Voegen kan in s levens perk; Die geen lof van menschen bedelt, Maar, in Jezus wijs en sterk, Slechts bij Hem wil roem behalen; En bij God tracht wel te staan. Zoo beproefd en zoo geprezen, Stapt men rustig grafwaarts aan.

DE DICHTER EN DE NACHTEGAAL (1772). Eene fabel.

Een dichter, die schier dag en nacht

Versleet met likken en beschaven,

Maar met zijne ingebeelde gaven,

Nog nooit iets schoons had voortgebragt,

Hoorde eens bij maneschijn den slaanden nachtegaal.

Wat is het toch, dus sprak hij, dat de taal

Van dezen zanger doet behagen; f Hij kent de regels niet van harmony en maat:

Al 't fraai van zijn gezang bestaat Mn kunstelooze slagen.

En ik, die op mijn nagels bijt,

En alles doe, om meer dan schoon te wezen,

Ik word van niemand schier gelezen!

Hier voelde mijn poëet een vonkje van den nijd;

Ja, hij begon, om zich te wreken,

Met dezen nachtegaal luidkeels den gek te steken.

Bedaar toch, heer poëet, zei toen de nachtegaal,

Dat ik u thans zoo gul op mijn gezang onthaal,

Geschiedt tot uw vermaak; wees daarom niet boosaardig

De vogel is de scheut niet waardig.

Wij gaan geen éénen weg, gij pocht op uwe lamst,

En zoekt door angst en zweet de gunst

Te koopen, ja te dwingen.

Ik zie, mijn goede man! het zingen valt u zuur, Ik folter .nooit mij zelf om door de kunst te zingen, Maar* al mijn toonen zijn natuur.

\\ De eenvoudige natuur heeft dikwijls 't hart geraakt, u Terwijl de kunst alleen een slechter dichter maakt.

Sluiten