Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

agterlijkheid in het stuk der schoone kunsten en wetenschappen, bijzonder in de digtkunde en welsprekendheid, niet verwijten, maar alleen onder het oog brengen wil, om daar door gelegenheid te krijgen van hun eenen weg aan te wijzen, om dat te worden, wat de Duitschers, die voor dertig jaren nog verre beneden ons waren, geworden zijn.

Zoude het niet mogelijk zijn, dat de Nederlanders in het stuk van poëzy zich zeiven nog niet regt kenden ? Ik heb dit wel eens vermoed. De kennis en ervaring, die ik aan lezen en samenspreken verschuldigd ben, heeft mij wel eens in dat vermoeden gesterkt; en ik kan niet ontveinzen, dat ik zeer opkeek, toen ik onlangs deze regels las:

Laat de aloudheid Dichters noemen,

Naso roemen,

En Homeers vergoden lier. Laat zij duizend andre braeven Kroonen, om hun rijke gaeven

Met een dankbren eerlaurier.

Kan zij de Eeuw, die wij beleven Overstreeven

In vernuft en kloek verstand? Kan zij grootscher schedels kroonen? Kan zij kloeker dichters toonen

Dan mijn zangrijk Vaderland?

Is er in zulke uitspraken ook niet veel buitensporigs ? Ik weet wel, dat zulke gezegdens geen beslissing zijn over dit stuk, die men op rekening van de geheele natie zetten moet; maar niettemin vreeze ik, dat die digter er veelen onder onze landsgenooten gevonden heeft, die het daarin met hem eens zijn, en waarschijnlijk zal het getal van hun, die van het tegenovergestelde overtuigd zijn, veel kleiner zijn.JT& voor mij, die niet geheel vreemd ben in de werken der oude en hedendaags clie Digters, zou niet schroomen van te erkennen, dat onze Hollanders, in dezen tegenwoordigen tijd geen stukken van poëzy voor den dag brengen, die even schoon zijn als die der Ouden, of die der Framschen, Engelschen en Duitschers. Ik zou niet durven zeggen, dat b.v. de Abraham van Hoogvliet

Sluiten