Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vermogen hen door beoeffening en kunst voorbij zijn gestreeft, cehik zulks bij de Franschen en Duitschers plaats heelt gehad, of toestemmen, dat wij tot hier toe in het stuk van poezy die vorderingen niet gemaakt hebben, die wij bij onze naburen aantreffen. Moonen i) ten minsten begreep het zo m zijn tijd; en ik twijfel, of men naderhand zulk een genie heeft zien geboren worden. Naar mijne redeneering zou derhalven volgen moéten, dat de poëzy der Nederlanders nog dien trap van volkomenheid niet bereikt heeft, tot welken zij bij de Engelschen, Franschen, Italiaanen en Duitschers gestegen is.

De uitspraak, die ik over onze digtkunde gedaan heb brengt mij natuurlijk tot deze vraag: Wat is de reden, dat de Nederlanders in dit stuk een weinig achterlijk zijn i ls het de lugtstreek, de regeeringsvorm, de geest van koopmanschap, of iets dergelijks, dat den geest der poëzy V onderhoudt.f of zijn de geniën in Nederland over het algemeen zeldzamer, dan 'in andere landen? Het laatste is zeker zo met.

De kleinheid van ons land in aanschouw genomen zijnde, hebben wii niet min dan andere landen geniën voortgebragt. Die op eenen Erasinus, Groiiiis, Vondel, Hooft, Boerhaven, Musschenbroek en dergelijken, roemen kan, hoeft met te twijfelen, of zijn landaart groote geesten kan uitleveren; en met betrekking tot de andere redenen, kan men in het algemeen wel aamnerken, dat de lauwheid en ijverloosheid die in andere opzigten onze natie in deze eeuw meer aankleeft dan in het begin der vorige, mogeüjk er iets toe doet: maar met dat al is het zeker, dat noch onze ligging, noch onze regeeringsvorm, noch onze godsdienst aan de schoone kunsten

naWatldan?' zal ik mijn hart regt uitspreken, dan moet ik zeggen- het is 't gebrek aan eene wijsgeerige beoeffening dei schoone kunsten en wetenschappen en daar uit volgend verkeerd gebruik van gebrekkige modellen, die ons m het stuk van poëzy nog ver agter onze naburen stelt. Men wijst onze ioncre vernuften in de poëzy, op de eerste ijsbrekers; op Hooft, op Vondel, op Vollenhoven, op Poot; dezen zijn voor

i) Arnold Moonen 1644—1711. Schrijver van den eersten volledigen „Nederduitsche Spraakkunst", gedurende het grootste deel der 18de eeuw het algemeen aangenomen handboek voor taalstudie.

Sluiten