Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in zijne eigene voordbrengels te willen overdrukken, is waarlijk de verkeerde weg; ook kan ik niet ontveinzen, dat, hoe veel groote mannen, daar ik anders eene uitnemende agting voor koestere, dit goedgekeurd en betragt hebben, het mij in alle opzigte als nadeelig voorkomt voor de verbetering van den smaak en de opwekking der genie: en ik weet ook niet, dat dit bij onze naburen in gebruik is. Voltaire en Crebillon hebben, zo ver ik weet, nimmer Corneille en Racine nagebootst. Men kent zelfs de zwakke zijde van Corneille te sterk, om hem over het algemeen tot een model te nemen. Opitz en Canitz worden in Duitschland nooit als voorbeelden ter navolging aangeprezen; en zij zelfs, die Klopstock willen imiteeren, zijn meer veragt dan gezien. En waarom dit? Omdat men al te wel overtuigd is, dat één oorspronkelijk digter meer behaagt, en tot grooter eer van eene natie verstrekt, dan vijf-en-twintig navolgers.

Om derhalven deze gebreken te herstellen, en de agterlijkheid, waarin wij met opzigt tot sommige kunsten en wetenschappen, en inzonderheid met betrekking tot de poëzy, geraakt zijn, te boven te komen, is het volstrekt noodig, dat wij ons op dien weg begeven, langs welken onze naburen ons voorbij gesneld zijn: en deze weg is niet anders, dan dat men zig toelegge op de theorie, en wel op zulk eene theorie, die op wijsgeerige gronden steunt, dat is te zeggen, die zulke beginsels vaststelt, en daaruit zulke regelen afleidt, welken uit den aart der schoonheid, de kennis van het menschelijke hart, de wetten van onze gewaarwording, en de ontdekkingen die men in de zielenleer gemaakt heeft, voortvloeien; en die ons tevens leert, zoo de natuur als de goede oude en nieuwe modellen wel te bestudeeren. 't Is waar, dan wordt de schoone kunstenaar te gelijk een wijsgeer. Maar moet dat ook wel anders zijn. Hebben niet alle wetenschappen een nauw verband met elkander. Kan iemand een digter zijn (ik spreek niet van de natuurlijke dispositie, maar van de ontwikkeling en beschaving) zonder eenige kennis van de natuurkunde, van de historiën, van de oudheid; en dit naar evenredigheid van den aart deionderwerpen, welken hij behandelt; maar waarom zal hij zich minder aan de zielenleer, en aan de kennis van het aandoenlijke kreunen ? Het is aan de wijsgeerte tot voordeel met de fraaie letteren verbonden te worden. Zij wordt daardoor levendiger en aanvalliger voor het gros der menschen, dat niet zeer geschikt is voor afgetrokken redeneeringen, en bespiegelingen, waar in men zig al te veel van het zinnelijke ont-

Sluiten