Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houden moet. De wijsgeerte, zegt een zeker wijsgeerig schrijver, afgescheiden van de frame kunsten en wetenschappen, moest gevolglijk grof, laf, pedant, nutteloos worden, en geheel en al tegenovergesteld zijn tegen de ware menschen- en wereldkennis. Maar op gelijke wijze kan men van de schoone kunsten en wetenschappen zeggen: zodra dezelven gescheiden zijn van de wijsgeerte, dan moeten dezelve minder schoon ziindan moet de smaak wisselvalliger en grover zijn, dan moeten de voortbrengsels, hoe veel oorspronkelijke trekken van genie er ook m mogen zijn, veel gebreken hebben, die bij uitstek onaangenaam en zelfs somtijds walgelijk zijn; dan is men Duiten staat om aan dezelven dien trap van schoonheid te geven, waarvoor zij vatbaar zijn, en derzelven invloed op het genoegen, het geluk en de beschaafdheid eener natie is of zeer gering, of doet een verkeerde uitwerking.

De genie, zegt men, is zich zelf tot een regel. Wie~heeft I Homerus, wie heeft Ossian, wie heeft Shahespear onderwezen? 1 Met zun integendeel de voordbrengsels der groote geniën waaruit men de regels voor de kunsten getrokken heeft Alle kunsten zijn ouder dan derzelver theorie. Door soortgelijke verhandelingen als van Aristoteles, Bossu enz. helpt men lomperts, die geen genie hebben, aan het werk. Zij meenen hun gebrek aan genie door de kunst te zullen vergoeden, en in zulke theoriën een goudmijn tegen hunne armoede te zullen vinden. Zij brengen ook voordbrengsels voor den dag, waarin men wel geen steUige fouten kan aanwijzen, maar waarin men egter te vergeefsch naar schoonheden zoekt. Heeft men niet in Gravina, die zeer wel over de poezy m het algemeen, en in d' Aubignac, die over de tooneelpoëzy geschreven heeft, gezien, hoe weinig genie de kennis der Theorie aanbrengt, daar deze beide armhartige toneelstukken gemaakt hebben. Zo dra men over de theorie begint te harrkloven, groeit wel het oordeel aan; het vermogen om de werken van anderen te beproeven neemt toe; maar de genie neemt af, en hoe wijsgeeriger men zulke theorieën behandelt, en hoe regelmatiger men begint te denken, des te meer gewent men zig, om met het verstand te werken en zijn gevoel te laten rusten; waar van een natuurlijk gevolg is, dat er zich over die schoone voordbrengsels, welken men levert, zulk een droogheid en doodigheid verspreidt, die men in wusgeenge naspeuringen dulden wil, maar die in de voordbrengsels der schoone kunsten alleronaangenaamst en

Sluiten