Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werken van hunne voorgangeren gehaald; maar kunnen zij niet, zelfs ongevoelig, in de omstandigheden die hun omringden, in de dingen die zij hoorden en zagen, de regels voor hunne kunst gevonden, en daardoor van zelfs aan hunne genie eene voordeel]ge wending gegeven hebben? eene wending, welke hun van zelfs gebragt heeft tot het inagtnemen van zulke regelen, die anderen grootendeels door eene theoretische beoeffening geleerd hebben. Zo dit meer of min plaats had, dan zou het onderscheid niet zo zeer in de inagtneming der regelen zeiven, maar meestendeels in de onderscheide school, waar in zij dezelven geleerd hebben, gelegen zijn.

(Na deze gedachte ten opzichte van Homerus en Ossian uitgewerkt te hebben, geeft hij het volgende typisch achttiendeeeuwsch oordeel over Shakespeare).

Eli \^r"eT3ffiaeliJF^IM&pë2r "aangaat, deze heeft zeker, als digter, grooter gebreken dan Homerus of Ossian. Deze is zeker meer door zijn vuurige genie gedreven, dan door oordeel en smaak. Maar hij levert ook daardoor ons een kragtig voorbeeld op van de buitensporigheid waar toe een genie vervallen kan, die zig zelf tot een regel is, en dan leeft in een tijd, waar in de smaak bedorven is, en de modellen, die men voor zich ziet, juist in staat zijn om de genie eene verkeerde wending te geven. Shakespear zou zeker veel grooter geweest zijn (geen grooter genie in den eigenlijken zin, maar grooter in het algemeen) bij aldien hij in de eeuw van Augustus geleefd, of Pope en Addison onder zijne gemeenzame vrienden geteld had.

Maar zoude, met dat al, de genie, als zodanig, er niet bij lijden, wanneer zij zig op eene beschouwende beoeffening der schoone kunsten en wetenschappen toeleide? Zoude zij, door zig al te veel voor gebreken te willen wagten, niet al te bekrompen, te vreesagtig worden, en die vlugge werking verliezen, welke haar zo voordeelig is; en zouden derhalven de voordeelen, welken zij, door het zig eigen maken der regelen, kan verkrijgen, wel op verre na opwegen tegen de nadeelen die daaruit voordspruiten? Volmaakte kunstwerken wagt men tog tevergeefsch. Waar de smaak heerschend is, wordt de genie in hare werking altoos min of meer belet; en het is maar al te waar, het geen Trublet ergens zegt, dat men aan diezelfde oorzaak waar aan men de buitensporigheden der schoone kunstenaars wijten moet, ook de

Sluiten