Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zifterjjj en eene zekere buitensporige kieschheid op de taal dikwijls den digter of redenaar, tot wezenlijk nadeel der schoone voordbrengsels, tragt te boeien. Het is de wijsgeerte alleen, die ons de egte regels der schoonheid in het algemeen opgeeft, en dezen met het geen door wettige gevolgtrekkingen uit dezelven wordt afgeleid, moet alleen het rigtsnoer zijn, waar naar de kunstenaar arbeidt. Het is de wijsgeerte, die ons regt kan doen denken omtrend de zo genoemde vrijheden der digters en redenaars: zij is het, die ons leert, dat alle vrijheden, die onbestaanbaar zijn met het schoone, geene vrijheden, maar dadelijke overtredingen zijn, en dat, integendeel, stijve en schoolsche verkleefdheid aan willekeurige regels, die de ware schoonheid in een werk verminderen, nooit genoeg vermeden kan worden: het is tog zo, dat de digters en redenaars somtijds hunne Grammatica of Syntaxis niet stipt kunnen in agt nemen, zonder hunne voordbrengsels te benadeelen; dat de gemoedstoestand, dien zij moeten voorstellen, somtijds merkelijk beter kan worden uitgedrukt door omgekeerde woordvoegingen (constructiën) dan wanneer zij de voorschriften van hunne Rhetorica opvolgen: enz. — In zulke gevallen moet de wijsgeerige theorie de uitspraak doen, en zij moet altoos het hoogste woord voeren.

OVER DEN LUIM. i)

Het woord, 't welk ik gebruike om dat denkbeeld voortestellen, dat de Engelschen humour en de Duitschers laune noemen, zal mogelijk sommigen niet zeer geschikt voorkomen,

l) V. A. voegt hier deze noot bij :

„Urbanitate" significari video sermonem praeferentem, in verbis et sono et usu, proprium quendam gustum urbis & sumtam ex conversatione doctorum tacitam eruditionem, denique cui contraria sit rusticitas. Quinct.

Inst. LVI c.3.

Men ziet, dunkt mij, klaar, dat het geen Quinctilianus hier bedoelt niets minder is dan humour. Het geen men gekregen heeft door den ommegang met verstandigen kan nooit humour zijn. Onder de ouden vindt men het meeste humour bij Aristophanes, Lucianus, Plautus, Terentius en Horatius.

Sluiten