Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overvloed te vinden. Voor eerst dan over den luim in het karakter.

Ik zeg dan: luim, of humour, is eene hebbelijke en onwederstaanhjke eigenzinnigheid, die lagchen doet: en omdat zij lagchen doet, heeft zij iets onvoegelijks; zonder daarom veragtelijk te zijn. Een mensch, die op zulk een wijze eigenzinnig is, dat hij anderen verveelt, of tot nadeel is; die zig door knorrigheid boven anderen onderscheidt, is in dezen zin geen humourist, maar een mensch van een kwaad humeur; doch onderscheidt lüj zich op zulk een wijze, dat er in zijne woorden en daden zulk eene samenvoeging is, die ons lagchen doet, en is deeze samenvoeging bij hem heerschend, en doorgaande, dan is hij een luimig mensch, a humoreous fellow.

Zodanig is b.v. Tobias Shandy in al wat hij zegt en doet. Hij is een groot liefhebber van vestingen, belegeringen enz. Alles wat daar niet op uitkomt, is hem der moeite niet waardig; hij kan er onmogelijk van zwijgen, of het te pas komt of niet: dat is zijn eigenzinnigheid; hij is egter daarom niet veragtelijk. Hij benadeelt er niemand mede; maar men moet lagchen, dat die goede man dit in zijne oude dagen nog zo ter harte neemt; en de wijze op welke hij er van spreekt is dikwijls onvoegelijk; dat is te zeggen, zij komt niet te pas, en is dus een vereeniging van dingen, die afgescheiden moesten zijn.

Zijn knegt Trim is van hetzelfde slag. Men leest eene predikatie tot stigting van het gezelschap, en Trim is er tegenwoordig. In die predikatie komen van tijd tot tijd eenige spreekwijzen voor, die overgenomen zijn uit de vestingbouwkunde. Zo dra Trim er zulk eene hoort, kan hij met geen mogelijkheid zwijgen; maar begint te kookermuilen, spreekt aanstonds van die of deze belegering, die hij met zijn heer heeft bijgewoond, en van de kleine fortificatiën, die hij met zijn heer in den volgenden zomer in den tuin zou maken. Onvoeglijkheid is hier zeker; maar Trim is daarom nog niet veragtelijk.

Zulken zijn derhalven humouristen; en niet alleen zij, die zig door hunne wijze van spreken en handelen van anderen onderscheiden; want dezen doen niet altoos lagchen en hunne woorden of daden behelzen niet noodzakelijk iets onvoeglijks.

Maar wie zijn nu die humouristen? Zie daar eenige goede aanmerkingen over dit stuk.

„Wanneer wij ons voorstellen, dat elk mensch, wiens zeden nu door de maatschappij gevormd zijn, alleen naar den invloed van zijne natuurlijke gesteldheid handelde, dan zoude, wel is waar, de verscheidenheid der bijzondere menschen

Sluiten