Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de hoedanigheid van een algemeen grondbeginsel, aanneme.

Maar verder heb ik gezegd, dat hetzelve voor de poëzy ten minsten te bekrompen was. Hierover moet ik nog iets aanmerken. Ik heb er, in mijn theorie, reeds het een en ander, in het algemeen, over aangemerkt; en al het geen ik daar bijgebragt hebbe, heeft U.E. zeker niet wederlegd, ja, zo ik meen, niet kunnen weerleggen.

't Is waar, gij hebt aangetoond, dat de digter somtijds, in den zin van Batteux, de natuur nabootst; maar dat heb ik nimmer ontkend; dat heeft Schlegel nimmer tegengesproken: maar dit beweeren wij, dat het geen grondbeginsel is voor de poëzy; en zulks, uit hoofde dat de poëzy op veelerhande wijze kan beoefend worden, van welke men niet zeggen kan, dat het nabootsingen van de natuur of der fraaie natuur zijn; en dit was genoeg, om aantetoonen dat het beginsel van Batteux te eng van begrip is, om een algemeen grondbeginsel te kunnen zijn.

Schlegel heeft zeker dit stuk uit het regte oogpunt beschouwd, en daarom wil ik u eenigen zijner aanmerkingen over dit onderwerp mededeelen:

Het is zeker, dat het beginsel der nabootsing veele soorten van digtstukken in zig bevat, zo dat het geen wonder is, dat men hetzelve voor het algemeene grondbeginsel gehouden heeft. De nabootsing der Natuur heeft bij uitnemendheid plaats in het Heldendigt, in het Treurspel, in de Opera, in het Blijspel, in het Herderdigt, en in de Fabel. En onder deze soort van digtstukken zijn tevens dezulken, in welken zig de digter het allersterkst als digter vertoont. Van hier is het, dat de kunstrigters langen tijd in een begrip gestaan hebben, om de nabootsing der natuur voor het eenig grondbeginsel der poëzy te houden: even als of dat buiten alle bedenking was.

Batteux vooral heeft aan zijne behandeling van dit stuk zulk eene wijsgeerige, en tevens bevallige gedaante geven, dat men ligt tot zijn gevoelen wordt overgehaald. Hij maakt geen vertoning, als of hij voor een aangenomen gevoelen bewijzen opzogt, om zijne lezers daar van te overtuigen, maar hij geleidt ons, op zulk een wijze, dat het ons voorkomt, als of wij te gelijk met hem zijn grondbeginsel uitvonden; als of wij door nauwkeurige naspeuringen, eerst uit het wezen der genie, van den enihusiasrnus, van den smaak hetzelve ontwijfelbaar afleidden. Maar zouden de gevolgtrekkingen van den

Sluiten