Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrijen trant nagevolgd ? (want het verschil komt waarlijk niet daar van, dat men imiter met corner verward heeft; gelijk gij meent). Neen, mijn Heer! wanneer men overeenkomstig den aart der zake zal oordeelen, en niet daar op uit is om zijn eens aangenomen grondbeginsel, het koste wat het'wil, staande te houden; moet men zeggen: — Digtstukken, waar in de digter louter zijne eigene gewaarwordingen en aandoeningen voorstelt, zijn geen nabootsingen of navolgingen op een vrijen trant, van de natuur, maar zij zijn, voorstellingen van de natuur zelf; dit is het onderscheid, dat men met regt maakt tusschen de verschillende voordbrengselen der poëzy en waarlijk, Mijn Heer! dit onderscheid is al te aanmerkelijk' om, wanneer men de zaak onbevooroordeeld nagaat; niet te' worden opgemerkt. Indien de digter voor een ander 'spreekt, dan (zegt ge zelf) moet er nog meer nabootsing zijn. Ik zou' zeggen ; dan heeft er eigenlijk nabootsing plaats, maar wanneer hij zijne eigen gemoedsbewegingen, zijn eigene gewaarwordingen voorstelt, dan is er geen nabootsing, maar dan hooren wij de natuur zelf. Zo dra wij dit nu aannemen, is het natuurlijk gevolg daar van, dat de nabootsing der natuur, hoe wijci men dit denkbeeld ook uitbreide, (mits men egter de natuurlijke beteekenis der woorden geen geweld aan doe) nimmer het eenig, het algemeen grondbeginsel der poëzy en nog minder dat van alle schoone kunsten zij.

Gij hebt, 't is waar, dit zoeken te wederleggen, door te zeggen, dat wanneer een digter van zig zelf spreekt, hij niet alle zijne aandoeningen zonder onderscheid uitdrukken, maar eerst zien moet, of de aandoeningen in de daad geschikt zijn om m zijn kunststuk met goeden uitslag te worden uitgedrukt — Zo ik het wel begrijp, is dit niet anders, dan of gij gezegd had; een digter moet zijn oordeel gebruiken, hij moet geen gewaarwordingen voorstellen, die ongerijmd, buitensporig, of kwalijk geplaatst zijn — maar is dit nu, als men juist denke wil, het zelfde, dat Batteux bedoelt, als hij zegt, dat de nabootsing van de natuur het algemeen grondbeginsel der schoone kunsten is. Waarlijk, ik kan het niet gelooven; en ik twijfel of Batteux hiïj er ooit van zou kunnen overtuigen. Batteux heeft zeker met zijn denkbeeld van de navolging somtijds zoetelijk p-espeeld, en zig zelf, als het hem te pas kwam, wel eens °zakelijk' tegengesproken; maar alle zulke redeneeringen zijn zeer ver van zijn beginsel te bevestigen; zij maken het veel meer verdagt. Wanneer men zelf geen bestemde denkbeelden heeft van een beginsel dat men voorstelt, wanneer men de woorden

Sluiten