Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

11 laten beteekenen, wat zij moeten beteekenen, om alle tegenbedenkingen te ontduiken, zonder te letten, of die beteekenis natuurlijk zij dan niet, of ons denkbeeld alle die nevendenkbeelden in zig bevatte of niet; dan kan men zeker zijn stelsel al zeer fraai opsieren, er de zwakheid van bedekken, en de tegenwerpingen ontduiken: maar bij een nauwkeurig onderzoek ziet men egter, dat het gebouw geen genoegzame grondslagen heeft.

Gij voegt er egter, tot bevestiging van uwe, door mij zo even beoordeelde gezegdens, nog dit bij: dat een digter, die zijne eigene gewaarwordingen voorstelt, zal hij verzekerd zijn, dat zij tot zijn oogmerk geschikt zijn, ze vergelijken meet met het geen hij bij soortgelijke gelegenheden in anderen heeft waargenomen, ten einde te onderzoeken, of zij met het geen hem daar in het fraais toescheen, overeenstemmen of niet; vooral, zegt gij, moet hij naspeuren of zij den loop volgen, dien de natuur ons in soortgelijke gevallen aanwijst, of zij de kragt, en, indien men zo spreken kan, de houding hebben die de natuur vordert; of een ieder in de uitdrukking derzelve de zuivere taal der natuur herkennen zal. Hier uit besluit gij dat de digter altoos een nabootser, een navolger der natuur is, dat de natuur altoos zijn rigtsnoer en toetssteen blijft, en dat dit alles is wat Batteux vordert. ïk weet, Mijn Heer, dat Batteux zig op een soortgelijke wijze verdedigd heeft, maar om de waardheid te zeggen, zulke redeneeringen schijnen spitsvinnige uitvluchten, die meer geestig dan gegrond zijn.

Het eerste dat ik daarop aantemerken heb, is dit: dat ik alleszins toesta, dat een digter, die zijne eigene gewaarwordingen voorstelt, zig zorgvuldig wagten moet, om geen onnatuurlijke gewaarwordingen in zijne opstellen te brengen; hij moet, bij voorbeeld, geen gewaarwordingen voorstellen, die eene buitenspoorige gevoeligheid, dat is zulk eene die volstrekt boven het menschelijke gaat, aanduiden: maar dat hij daarom verpligt zoude zijn, om de aandoeningen van anderen tot zijn regelmaat te nemen; dat hij geen digtstuk zoude mogen vervaardigen, zonder de aandoeningen van anderen tot zijn modellen te nemen, zie ik niet in; en nog veel minder begrijp ik, hoe hij, eens voorondersteld zijnde, dat hij in de beschaving van zijn digtstuk gelijksoortige aandoening van anderen met de zijne vergeleek, daarom een nabootser van de natuur in dat geval zoude kunnen genoemd worden. Wij moeten, mijn Heer, tog altoos onder het oog

Sluiten