Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houden, dat het denkbeeld imiter volgens Batteux beteekent, copier un modèle; en wij moeten derhalve, als wij met dat denkbeeld niet spelen, maar nauwkeurig redeneeren willen, er niets bijvoegen, noch er iets door verstaan, dat juist het tegengestelde is van copier un modèle en dan zig verdedigen, door slegts te zeggen, dat moet er onder verstaan worden; want dan is het antwoord gereed; dat kan er niet onder verstaan worden, volgens de eigen beginsels van Batteux zelf UED. merkt wel aan, dat copier un modèle een al te bekrompen bepaling is van het denkbeeld imiter; maar de wijze, op welke UED. uit Batteux zelf dit verder uitbreidt, wijst tog aan, dat men in alle voordbrengselen der schoone kunsten, volgens Batteux een model vooronderstellen moet; en dit is het geene ik stellig ontken; omdat in sommige digtstukken de voorstelling der natuur zelve, en geen voorstelling die een nabootsing van de natuur is, plaats heeft. Volgens uwe redeneering derhalve schiet er niets over, dan te bewijzen, dat het denkbeeld van, zijne gewaarwordingen te toetsen, aan die van anderen, om te zien of zij tot zijn oogmerk dienstig zijn, redelijker wijze, behoort tot het denkbeeld, de natuur nabootsen. Ik betuig gaarne dat ik zulks niet zien kan. Ik zie, vooreerst, geen algemeene noodzakelijkheid, ja zelfs somtijds geen mogelijkheid van deze vergelijking: en ten tweeden, zelfs in zulke gevallen, daar men ze in het werk stelt, begrijp ik nog niet, hoe men dat ongedwongen tot de nabootsing van de natuur brengen kan. Laat ons dit in eenige bijzonderheden nagaan.

Zo dra wij ons eenen waren digter voorstellen, stellen wij iemand, die oorspronkelijk denkt en schrijft, die nieuwe gedagten voorstelt; in wien derhalven deze en geene voorwerpen denkbeelden verwekken, die men bij anderen niet bespeurt: er worden aandoeningen bij zulk een gaande, door het zien van zulke voorvallen, die op een mensch van den gewoonen slag geen indruk zouden gemaakt hebben; maar zelfs bij zulke gebeurtenissen, die alle menschen aandoen, wordt zijne gevoeligheid boven anderen gaande gemaakt; hij krijgt denkbeelden, die oorspronkelijk, die nieuw, die treffend zijn; hij deelt dezelve mede, hij vervaardigt een digtstuk. Tot hier toe heeft hij, ik beroep mij op de ondervinding, naar geen wezenlijk of ideaal model gewerkt — maar nu — hij vergelijkt zijne gewaarwordigen met die van anderen — met dit gevolg — dat hij niet merken kan, dat die voorwerpen, welken zulk een sterke uitwerking op zijn

Sluiten