Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevoelig hart gehad hebben, op anderen even veel kragt hebben — zal hij nu aanstonds besluiten; mijn voordbrengsel deugt niet — zal hij dus redeneeren? — Niemand heeft voor mij het verlies van een vrouw, van een kind, in zulk daglicht beschouwd en zo treffend gevoeld als ik — niemand heeft tot hier toe deze of die gebeurtenis uit de geschiedenis, dit of dat verschijnsel in de zedelijke waereld, enz. enz. op zulk een wijze onder zijn oog gehad als ik — dit en dat oogpunt heb ik ontdekt; voorheen, zo ver ik weet, was het onbekend — daarom is mijn voordbrengsel onnatuurlijk; het is geen nabootsing van de natuur — het deugt in het geheel niet ? Zal hij, zeg ik, dus redeneeren; dan zouden vooral de eerste digters, een Mozes, een Homerus, een Ossian, vrij wat hebben moeten agter wege laten, dat zij ons met een zeer goed gevolg hebben voorgesteld. — Maar ik weet, dat gij het in dit stuk met mij volkomen eens zult zijn: uw antwoord egter zal, denk ik, hier op uitkomen. — „Denkbeelden kunnen nieuw en tevens gelijksoortig zijn ; en dit laatste moeten zij zeker wezen; zijn zij tevens nieuw, zo veel te beter — om nu te weten of zij gelijksoortig zijn, moeten zij met die van anderen vergeleken worden." (N.B. vergeleken, niet nagebootst; hoe ruim dit laatste woord ook genomen worde, het blijft tog altoos geheel iets anders). Maar dit heb ik ontkend, en zie hier mijne gronden. De natuurlijkheid van onze voorstellingen of gewaarwordingen behoeft niet getoetst te worden, door de vergelijking van dezelven met die van ander; maar ons eigen oordeel kan genoeg opmaken, of er verband is tusschen de voorwerpen, welken in ons die gewaarwordingen, die aandoeningen, welken wij voorstelden, verwekten; en de verwekte gewaarwordingen. — Dit te onderzoeken is het werk van ons oordeel; en dit onderzoek is de beste, de zekerste toetssteen. — De vergelijking van onze gewaarwordingen met die van anderen is in veele gevallen ongeschikt, in veelen ongenoegzaam, om het einde te bereiken, dat UEd. daar mede bedoelt.

I Vraagt gij mij; wat ik dan voor het eerste en algemeene grondbeginsel der schoone kunsten houde; ik antwoorde; zeker niet de nabootsing der Natuur, hoezeer ik hier en daar heb aangeraden de natuur na te volgen, natuurlijk te zijn enz.; dat geheel wat anders is, dan er een algemeen grondbeginsel voor alle kunsten van te maken — maar ik vrage ook vervolgens, of het juist noodig is, een algemeen grond-

Sluiten