Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1) Dat de eigenlijke, of, gelijk men ze eigenaartig zou kunnen noemen, de karakteristieke overeenkomst tusschen den klank en de voorgestelde zaak alleen plaats heeft in die woorden, die men onomatopoiien noemt; en geensins in anderen; als ook niet in geheele perioden, ten zij dezelven waren samengesteld uit onomatopoiien, dat egter schijnt onmogelijk te zijn.

2) Dat in de voorstelling van iets, het welk aangenaam of onaangenaam is, het gebruik van welluidende of kwalijkluidende woorden slegts in zo ver als eene overeenkomst tusschen de woorden en de zaak kan beschouwd worden; als er in de twee onderwerpen, de klanken namelijk en de voorgestelde zaken, iets gelijksoortigs is, waar door de uitdrukking, niet in het bijzonder, maar in 't algemeen, beeldsprakig wordt.

3) Dat het beeldsprakige, op dezelfde wijze, als zo even gezegd is, plaats heeft in de perioden; alleen met dit onderscheid, dat in perioden eene sterkere harmonie kan plaats hebben, dan in enkele woorden, uit hoofde van de samenvoeging; en dat dit beeldsprakige ook tot een veel grooter getal van voorstellingen kan gebruikt worden, dan in woorden alleen; uit hoofde van de menigvuldige wijzen, op welken korte en lange, harde en zagte, scherpe en sleepende lettergrepen en woorden kunnen worden samengevoegd.

4) Dat deze harmonie dan het allersterkst is, wanneer, in eene periode, de woorden elk op zich zelf, zo wel als in hare samenvoeging, zo met opzicht tot den klank als tot de beweging, samenwerken om deze overeenkomst sterk te maken: dan dat het van zelfs spreekt, dat zulks zeldsaam geschieden kan, en dat men doorgaands slegts een of twee van deze eigenschappen in de uitdrukking aantreft, welke ook meestal genoegsaam zijn, om aan het oogmerk dezer harmonie, de levendige uitdrukking namelijk, te voldoen.

De natuur moet ook hier toe bestudeerd worden. Elke hartstogt heeft haren toon *); elke beweging der ziele hare snelheid of traagheid. Dit optemerken, en, zo veel mogelijk, in bijzonderheden nategaan, geeft gelegenheid om zig van het zagte, harde, stootende, vloeiende, volle, scherpe enz. met opzigt tot den klank; en van het rollende, sleepende, hortende, afgebrokene, met opzigt tot de beweging, te bedienen, waar het noodig is; en wel zodanig, als meest overeenkomt met den

l) Hier over moet men cicero de oratore L. III. c. 58 geheel nalezen.

Sluiten