Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(sensatien) onderscheiden is. „Wij noemen eenen mensch „teergevoelig, zegt eberhard i), bij welken eene uitwendige „gewaarwording of een gedagte ligtelijk veel mwendiVe „gewaarwordingen, of de eene gewaarwording ligtelijk „anderen verwekt." Zij vooronderstelt derhalven een fijner en aandoenlijker (irritahle) zenuwgestel, en kan veroorzaakt worden door de snelle beweging der levensgeesten, of ook door de wakheid der; zenuwen, schoon deze laatste meestal een gevolg van de eerste is.

Deze teergevoeligheid nu heeft in een zekeren trap plaats by alle menschen; vooral bij zulken, die in eenen beschaafden staat leven; en het zijn de wilden, bij welken men de meeste voorbeelden van eene geheele ongevoeligheid aantreftmaar in beschaafde natiën zijn die voorbeelden zeldzamer. &en David, van Simei vervloekt, van Achitofel verlaten, van Absalom vervolgd, barrevoets, met een omwonden aangezigt weenend vlugtende, treft zelfs de onaandoenhjkste harten' wie kan eene stervende Glarisa zonder weemoedigheid eenen verraderlijken Lovelacc zonder verontwaardiging; beschouwen; en wien treft de lijdende Laökoön niet. Zo deze teergevoeligheid ook in het algemeen bij menschen niet gevonden werd, zou geen digter, geen schilder, geen beeldhouwer, kunnen behagen. Zij moeten doen gevoelen, zal men over bun voldaan zijn, en dit vooronderstelt bij hen voor wien zij arbeiden, eenige gevoeligheid. Eene onverschilligheid voor alle de schoone kunsten ziet men zeldzaam, en waar men ze aantreft, kan men tot eene verregaande ongevoeligheid besluiten; om dat deze alleen de oorzaak dier onverschilligheid wezen kan. De voordbrengsels der schoone üunsten behagen ook daarom, om dat zij de teergevoeligheid opwekken, aan het werken helpen, en den mensch in staat stellen om aandoeningen te hebben, welken hij door zijne eigene gevoeligheid niet kan gaande maken.

Schoon derhalven de teergevoeligheid aan den mensch in net algemeen in eenige mate eigen is, zo wordt zij ester in eenen groter trap bespeurd bij elk mensch van meer dan gemeene vermogens 2); bijzonder bij zulken, die door de natuur

AAUgemeine Therorie des denkens undempfindens, s, 102 i03 l) „Deinde ad mgenium requiritur sensibilitas major, quam „m mediocn homine, ut ea similitudo vehementer nos per„cellat, vivideque afficiat, quae stupidum hominem non emove„ret . haller, Phijsiol. L. XVII. Seet. 1. (Tom V p 559)

Sluiten