Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niobe. Zij behoort volgens winckelmann ]) tot den hoogen stijl, en is een van de schoonste overblijfselen der kunstwerken van het oude Griekenland. De kunstenaar heeft zig zo geheel kunnen verzetten in de gesteldheid van Niobe, dat men niet kan twijfelen, of hij heeft ruim zo veel met zijn hart, als met zijn verbeelding gewerkt. Men ziet in haaiden hoogsten trap van smart. De afgematheid, veroorzaakt door eenen smartelijken, en met dat al eerwaardigen doodsangst, verliest zig eindelijk in eene aandoenlijke ongevoeligheid. Hare houding is edel. Zij is vergezeld van hare twaalf kinderen, benevens een steigerend paard, welks buik om grooter vasügheids wille, op een steen rust. Haar jongste dochter zoekt zig in 's moeders schoot te verbergen, die baalkleed ophoudt, om 't kind voor de pijlen van Apollo te

bedekken. In haar bedroefd maar verheven gelaat is het

lijden van alle hare kinderen, als m een punt saamgebragt. Hare zuivere schoonheid, alleen door die van Diana over¬

troffen, verwekt een eerbiedig medelijden. De dogters van Niobe j

zijn een afbeeldsel der doodvrees, en m dezen onbescnnjllnken angst met een overwonnen en verstijfd gevoel voorgesteld, wanneer de tegenwoordige dood aan de ziel al het vermogen tot denken beneemt. Schoon het nu zeker is, dat in dergelijke stukken de verbeeldingskragt den kunstenaar op den weg helpt, is het egter ontwijfelbaar, dat zijne eige gevoeligheid aan zijne voorstelling geest en leven mededeelt, zonder welke zulk eene voorstelling niet veel meer dan eene beschrijving wezen zou.

In de schilderkunst zijn ook soortgelijke voorbeelden voorhanden, die ik egter hier kortheidshalve voorbijga.

richardson was bij uitstek met deze teergevoeligheid begaafd; vooral blijkt dit daar uit, dat zijne gevoeligste karakters zig zelf nimmer ongelijk zijn; maar altoos zodanig zijn, als zij, naar zijn geheele plan, wezen moeten. Zijne Clemenüna b. v., die zo bij uitstek sensibel is, is zulk een meesterstuk van die teergevoeligheid, welke zig in alle omstandigheden van een ander, de kleinste niet uitgezonderd, verzetten kan, dat men het tafereel niet volkomener zoude kunnen hebben, bijaldien er eene Clemenüna aanwezend was, en deze haar eigen aandoeningen geschilderd had. Van dit vermogen ziet men ook zo veele trekken in de beschrijving van göthe's Werther, dat ik mij niet verwonderen zou, dat hij hier en daar zig zeiven geschilderd had.

i) Geschichte der kunst des altherkums, Th. I. s. 170 en 22b. I i)

V

Sluiten