Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den kunstenaar; als ook, naar mate van het meerder of minder aanbelang, dat de kunstenaar in zijn onderwerp stelt, blijft het egter zeker, dat deze toestand der ziele den kunstenaar, als 't ware, noodzaakt, om zijne gewaarwordingen aan anderen medetedeelen. De menigte der denkbeelden; de beweging des gemoeds, welken zij veroorzaken; en een gevoel van het vermogen, om zijne bevindingen te kunnen voorstellen, veroorzaken de aandrift om dit ook dadelijk te doen. Komt hier nu nog bij, eerzugt, lust om de aandagt van anderen ook op voorwerpen, die ons van het uiterste belang schijnen te vestigen, liefde tot het vaderland, den godsdienst, deugd en regtschapenheid enz., dan kan deze aandrift nog merkelijk sterker en volstrekt onbedwingbaar worden.

IV. OORDEEL EN SMAAK.

Zo heb ik de voorname eigenschappen van den geboren digter beschouwd, en aangetoond, wat elk derzelven op zig zelf, en wat zij allen samengenomen toebrengen,, om een mensch tot een digter te maken. Nu schiet er nog over, dat ik iets zeg over het oordeel en den smaak. Ik heb die in 't verschiet geplaatstom dat ik deze vereischtens niet zo zeer van nabij beschouwen wil, maar om dat ik alleen met weinig woorden wil aantoonen, hoe noodig dezelven zijn voor den digter, en in hoe verre men die ook aangeboren noemen kan. Ook is mijne verhandeling reeds zo uitgelopen, dat mijn lezer zo wel als ik reeds naar het einde verlangen zal.

De teergevoeligheid en verbeeldingskragt zijn, aan zig zelf over gelaten, zeer geschikt om den digter van den regten weg afteleiden. Zijne gewaarwordingen en gevoelens zijn dikwijls zo sterk, zijn verbeelding werkt somtijds zo vurig, en zijne verdigtingen hebben zo veel aanloklijks voor hem, dat hij zeer geneigd is om het oordeel en den smaak het zwijgen opteleggen. Ook is er geen toestand natuurlijk zo geschikt om dezelven te doen zwijgen als de enthusiasmus; en daarom zijn het oordeel en de smaak den digter zo noodig, dat hij zonder dezelven buiten staat is, om aan zijne voordbrengselen die volkomenheid te geven, welke men billijk daar in vordert.

[) Zie boven bl. 88.

Sluiten