Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK I.

INLEIDING.

Op 24 Mei 1919 werd de Staatscommissie door den Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, den Heer H. A. van IJsselsteijn, geïnstalleerd met de volgende rede:

Mijne He er en >

«Feitelijk zou ik bij het installeeren uwer Commissie weinig in het midden behoeven te brengen. Gij allen hebt den in de laatste jaren gevoerden strijd, of en op welke wijze het mond- en klauwzeer dient bestreden te worden, feitelijk van nabij meegemaakt, of althans gadegeslagen. Toch wil ik, der gewoonte getrouw, eenige opmerkingen vóór den aanvang van uwe werkzaamheden in het midden brengen.

Zonder tot vroegere jaren terug te gaan, wil ik er U op wijzen, hoe tusschen 1881 en 1886 het mond- en klauwzeer met langere of kortere tusschenpoozen onzen veestapel aantastte. Daarna verdween de ziekte, behoudens enkele zeer sporadische gevallen, tot en met het jaar 1891, om het volgende jaar opnieuw uit te breken en van toen af aan onafgebroken gedurende een decennium te woeden. Van 1902 tot 1906 werden geen gevallen van mond- en klauwzeer waargenomen. In 1907 en 1908 begon het opnieuw te heerschen. In de beide volgende jaren komen slechts enkele gevallen voor, terwijl in 1911 weer een sterke uitbreiding was waar te nemen, die in 1912 vrijwel afnam. In 1913 en 1914 kwamen slechts enkele sporadische gevallen voor. Het daarop volgende jaar moest wederom een felle strijd tegen de ziekte worden gevoerd. In 1916 was het aantal gevallen vrij beperkt. In 1917 tot den nazomer van 1918 was het mond- en klauwzeer, behoudens een enkel geval, zoo goed als geheel verdwenen.

De nieuwe epizoötie heeft zich] in Augustus 1918 voorgedaan en heeft zich thans over ons geheele land verbreid.

Voor den nationalen rijkdom van ons Vaderland heeft eene ernstige uitbreiding van het mond- en klauwzeer bedenkelijke gevolgen.

In het bijzonder is dit het geval met het oog op de mogelijkheid van

Sluiten