Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan vóór alles een eind aan de smetstof-productie. En het valt niet te ontkennen, dat de toepassing van het stelsel bij den inval 1914 —1916 (ten koste van ongeveer 38.000 stuks rundvee en ± 6V2 millioen gulden) een goeden uitslag heeft gegeven, in zoover, dat de regeeringsmaatregelen een algemeene verspreiding der ziekte hebben tegengehouden. Anderen gaan niet zoo ver; zij zijn niet tegen bestrijding mits deze zich beperke tot afsluiting van besmette hoeven, gepaard met ontsmetting, of wel tot een opsporingsdienst, in verband met streng toezicht bij den invoer en strenge maatregelen bij sporadische gevallen.

Weer anderen zijn tegen bestrijding: omdat de ervaring hun heeft geleerd, dat bij zoogenaamd »doorzieken* de minste slachtoffers worden geëischt en een opvolgende invasie van korteren duur is. De Voorzitter van den Zuid-Nederlandschen Zuivelbond, de Heer Jan Truyen, heeft een paar jaar geleden dit standpunt met talent verdedigd. Zijn betoog voerde tot deze twee scherpe conclusies:

>Naarmate het mond- en klauwzeer meer en krachtig werd bestreden, heeft die ziekte meer slachtoffers gevraagd en heeft zij bij de opvolgende invasies in den regel langer geheerscht.«

»Naarmate de Staatsbemoeiing ter bestrijding van het mond- en klauwzeer is toegenomen, heeft de ziekte meer onheil gesticht.*

Er zijn er zelfs, die dit doorzieken wenschen te bevorderen door de smetstof op de gezonde dieren over te brengen, ongeveer op de wijze zooals in Nederlandsch-Indië het entings^systeem toegepast schijnt te worden.

Het is merkwaardig, dat de meerderheid der veehouders in de eerste jaren na 1907 zich met het stelsel van afmaking — zij het vaak met een bloedend hart — wel kon vereenigen, doch tijdens en na den inval 1914—1916 zich onder de veehouders een bepaalde tegenzin tegen het afmaken, dikwijls ook tegen de verdere regeeringsmaatregelen, geopenbaard heeft. Waar de medewerking der belanghebbenden bij een principieele bestrijding van het uiterste belang is, mag deze factor zeker niet buiten beschouwing worden gelaten.

Het zwakke punt bij de behandeling van dit onderwerp, waarop zoo terecht door Uwe Excellentie werd gewezen, is hierin gelegen, dat omtrent de oorzaak der ziekte, de smetstof, zoo bitter weinig bekend is, ondanks de onderzoekingen van zooveel geleerden.

De pogingen tot het bereiden van een entstof of een serum, dat als immuniseeringsmiddel waarde heeft voor de bestrijding der ziekte, zijn tot dusver — voor zoover bekend — niet geslaagd. De samenstelling onzer Commissie biedt zeker een waarborg dat de immunisatie-methode van de beide door Uwe Excellentie genoemde Italiaansche geleerden zeker niet aan de aandacht zal ontsnappen.

Een eigenlijk geneesmiddel tegen de ziekte, dat als zoodanig algemeene erkenning geniet, ontbreekt tot nu toe eveneens; het kan zeker zijn nut hebben,

Sluiten