Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 3 BESMETTING EN OVERDRAGING DER SMETSTOF.

Het mond- en klauwzeer breidt zich uit door directe en vooral door indirecte besmetting. Onder de eerste wijze van besmetting verstaat men het overdragen der ziekte rechtstreeks van dier op dier.

Ofschoon deze wijze van overdragen een veelvuldige oorzaak is van de uitbreiding der ziekte, schijnt toch de indirecte besmetting, namelijk het overdragen der smetstof door voorwerpen en personen, van veel grootere beteekenis te zijn.

Dat dieren echter ook voor eene indirecte overdraging van smetstof in aanmerking komen, is niet aan twijfel onderhevig en straks zal de gelegenheid bestaan daarop nader de aandacht te vestigen.

Wanneer men den blaarinhoud van een aan mond- en klauwzeer lijdend rund bij een gezond en vatbaar rund in het bloed of in de spieren spuit, dan wordt het ingespoten rund weldra door mond- en klauwzeer aangetast. Dit is zelfs nog het geval als de blaarinhoud door een aarden filter gefiltreerd wordt en men het heldere filtraat bij het rund in de bloedbaan of in de spieren spuit. Ook bij inspuiting der smetstof onder de huid kan de ziekte tot ontwikkeling komen, ofschoon deze wijze van besmetting dikwijls negatief uitvalt.

Brengt men de smetstof door den mond naar binnen of langs de ademhalingswerktuigen, dan ziet men eveneens het mond- en klauwzeer bij het aldus besmette dier ontstaan. Het is niet aan twijfel onderhevig, dat het binnentreden der smetstof langs den mond de meest voorkomende wijze van besmetting is. Van de maag en darmen treedt de smetstof in het bloed en vanuit het bloed worden mond, tong, klauwen, spenen, hart en andere organen geinfecteerd, waarbij in den mond, aan de klauwen en aan de spenen blaren tot ontwikkeling komen, doordat de smetstof in een diepere laag van het epithelium en van de epidermis zich plaatselijk sterk vermeerdert. Bij drachtige dieren kan de smetstof op het kalf in de baarmoeder overgaan en het kan gebeuren, dat het aldus besmette kalf met verschijnselen van mond- en klauwzeer geboren wordt.

Opmerkelijk is, dat de blaren zich ook kunnen ontwikkelen onder den hoornwand der klauwen en vooral onder de hoornzooi.

Verborgen blaren komen hier niet zoo heel zelden voor. Het schijnt, dat de smetstof in deze aan de klauwen verborgen blaren lang in leven blijft.

De aanwezigheid van bedoelde blaren mag men vooral dan aannemen, wanneer de aangetaste dieren, ook zelfs zonder dat uitwendig aan de klauwen veel te zien is, kreupel loopen. Bij het afgroeien van de hoornzooi of bij het besnijden

Sluiten