Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men verstaat onder smetstofdragers in het algemeen zulke menschen of dieren, die van een besmettelijke ziekte hersteld zijn, maar de smetstof nog een bepaalden tijd in levensvatbaren vorm bij zich dragen.

Deze smetstof houdt zich dan op bepaalde plaatsen in het lichaam op, welke plaatsen evenwel niet altijd bekend zijn.

Sommige personen, die van typhus hersteld zijn, kunnen zeer lang smetstofdrager blijven. De literatuur haalt voorbeelden aan van personen, die maanden, zelfs vele jaren van typhus hersteld waren en andere personen infecteerden. Ook kunnen personen, die de smetstof van typhus in zich opnemen, zonder ziek te worden, de ziekte op andere personen overdragen.

Dergelijke personen worden tussckendragers genoemd. Dat deze tusschendragers ook bij mond- en klauwzeer moeten worden aangenomen, is niet aan twijfel onderhevig.

Volgens dit beginsel moet men aannemen, dat een gezond rund, afkomstig van een stal, waar mond- en klauwzeer heerscht, de ziekte op andere dieren kan overdragen, niettegenstaande een dergelijk rund zelf niet ziek geweest is. Het ligt voor de hand, dat de smetstof bij een dergelijk rund kan gezeten zijn uitwendig, b.v. aan huid en klauwen, maar niet met zekerheid weet men of de smetstof ook het darmkanaal van het gezonde rund kan passeeren en, zonder dit rund ziek te maken, met de faeces naar buiten kan treden en andere dieren bemetten.

Uit het medegedeelde wordt het duidelijk dat de ontsmetting en oordeelkundige besnijding der klauwen van genezen dieren dringend noodzakelijk zijn, alvorens deze dieren in het openbaar verkeer worden toegelaten.

Men mag aannemen dat, hetgeen boven gezegd is van de klauwen, niet alleen betrekking heeft op klauwen van runderen, maar ook op die van schapen, geiten en varkens.

In de vorige paragraaf is de aandacht er op gevestigd, dat het weerstandsvermogen der smetstof tegen allerlei schadelijke invloeden niet groot is; toch gaat haar besmettend vermogen onder bepaalde omstandigheden niet spoedig verloren en blijft zij langen tijd in staat de ziekte te veroorzaken.

Dit wordt o.a. bewezen door de reeds genoemde smetstofdragers. Het schijnt, dat de smetstof in afgesloten plaatsen, o.a. in blaren onder den hoorn der klauwen niet spoedig afsterft.

Waarschijnlijk kan zij ook lang levensvatbaar blijven in de koepokstof, waarmede kinderen en kalveren ingeënt worden, want in Amerika heeft men de ervaring opgedaan, dat kalveren mond- en klauwzeer kregen na inenting met koepokstof, die aldaar uit Japan was ingevoerd.

Indien deze waarneming juist is, dan zou de smetstof van het mond- en klauwzeer in dit opzicht groote overeenkomst vertoonen met de smetstof van de koepok, die bewaard blijft in de koepokstof, niettegenstaande een hoog procent

Sluiten