Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onvatbaarheid, want de van mond- en klauwzeer herstelde dieren, die immuun zijn, verliezen betrekkelijk spoedig de anti-lichamen uit het bloed.

Het is namelijk gebleken, dat het bloedserum van pas herstelde dieren, een bepaalde preventieve waarde heeft, echter niet, wanneer dit bloedserum afkomstig is van dieren, die geruimen tijd genezen zijn. De anti-lichamen zijn dan reeds uit het bloed verdwenen, terwijl het dier nog immuun is.

Ofschoon het algemeen bekend is, dat een aantal runderen in een bepaalden tijd tweemaal of driemaal ert zelfs meermalen door mond- en klauwzeer aangetast worden *), is het toch een feit, dat de dieren, na het eenmaal of meermalen doorstaan der ziekte, zoodanig onvatbaar worden, dat het mond- en klauwzeer ten slotte uit een bepaalde streek of zelfs uit een land verdwijnt.

Nochtans mag men niet aannemen, dat steeds alle runderen in een land, waaruit het mond- en klauwzeer verdwijnt, de ziekte doorstaan hebben en onvatbaar zijn geworden. Dit is gewoonlijk geenszins het geval, want er blijven nog een aantal koppels over, die niet ziek geweest zijn en derhalve de vatbaarheid hebben behouden. Bovendien gaat de aanfok van een nieuwe, vatbare generatie zoo snel in zijn werk, dat in een land, waar het mond- en klauwzeer zoogenaamd zichzelf heeft uitgeroeid, nog een groot aantal vatbare dieren aanwezig is, vooral ook onder schapen en varkens. Men kent dezen gang van zaken voornamelijk in streken, waar weinig handel in vee bestaat en de boerderijen op grooten afstand van elkander gelegen en de weiden door heidegrond, bouwland of bosschen van elkander gescheiden zijn.

Ook de immuniteit, die van de aangetaste resp. genezen moeders in de baarmoeder op de kalveren overgaat, kan niet van groote beteekenis geacht worden met betrekking tot het verdwijnen der ziekte uit een land. In tijden, dat het mond- en klauwzeer geheerscht heeft in een streek, valt het niet moeilijk kalveren, welke uit die streek afkomstig zijn, de ziekte te bezorgen. Toch verdwijnt de ziekte, voordat zij de gelegenheid heeft gehad de nog overgeschoten vatbare dieren te besmetten. Komen exemplaren van deze dieren later toevallig met smetstofdragers in aanraking, dan kunnen zij aangetast worden en men zou alsdan ten onrechte kunnen denken aan een saprophytisch of saprozoïsch voortleven der smetstof. De mogelijkheid mag niet uitgesloten worden, dat de smetstof van een smetstofdrager, die een passage door een of meer vatbare runderen gemaakt heeft, dan weder in staat is de ziekte te veroorzaken bij dieren, die reeds eenmaal aangetast zijn geweest, maar slechts een geringe immuniteit verkregen hadden.

Het is verklaarbaar, dat dergelijke omstandigheden ten onrechte op den

♦) Tijdens de epizoötie 1920 werden dezelfde dieren som» bijterhaling aangetast.

Sluiten