Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 6. DE STERFTE VAN DIEREN, LIJDENDE AAN MOND- EN KLAUWZEER.

Reeds van ouds is men gewoon te spreken van boosaardig mond- en klauwzeer, wanneer de ziekte plaatselijk of meer uitgebreid met groote en veelal plotselinge sterfgevallen gepaard gaat en zulks dikwijls zonder dat vooraf in het oogvallende complicaties zijn waargenomen.

Men kan deze plotselinge sterfgevallen in drie groepen verdeden: Groep I omvat zulke sterfgevallen, waarbij onmiddellijk bij het ziek worden verschijnselen optreden, die zich vooral door hooge temperatuur, versnelde ademhaling, gestoorde functie van het hart, al dan niet gepaard met diarrhee, kenmerken. Deze dieren kunnen zelfs succumbeeren, voordat blaren in den mond tot ontwikkeling zijn gekomen, hetgeen bij kalveren, maar ook bij biggen en lammeren, echter ook bij koeien wordt waargenomen. In dergelijke gevallen komt het enkele malen voor, dat het bestaan van mond- en klauwzeer niet onderkend en aan een andere onbekende ziekteoorzaak gedacht wordt.

Het schijnt, dat de smetstof in sommige gevallen, namelijk bij kalveren en biggen eventueel met de melk opgenomen, onmiddellijk op de mucosa van maag en darmen inwerkt, in het bloed overgaat en tot eene myocarditis (ontsteking van het hart) aanleiding geeft, waardoor de plotselinge dood kan verklaard worden. Deze hevige infectie bij jonge dieren wordt blijkbaar meermalen ondersteund door het feit, dat de melk van aan mond- en klauwzeer ^dende dieren abnormaal is, waarschijnlijk toxische stoffen bevat, die de aggressieve werking van de mond- en klauwzeersmetstof bevorderen.

De eigenaardige veranderingen, die in het hart bij kalveren kunnen optreden, worden door bijgaande teekening duidelijk gemaakt. Deze witte, min of meer streepvormige afwijkingen moeten toegeschreven worden aan de inwerking van de smetstof op de spiervezels van het hart.

Groep ft Bij de plotselinge sterfgevallen tot deze groep behoorende verloopt de ziekte aanvankelijk normaal, maar zoodra omstreeks den Sen of Óen dag het tijdperk van genezing begint, wordt het dier plotseling zieker, de reeds ingetreden eetlust verdwijnt weder, het dier begint te beven en te wankelen, terwijl de ademhaling versnelt, valt het neer, niet in staat op te staan en sterft weldra. Dergelijke dieren vertoonen vooraf een vertraagde defaecatie en een onderdrukt peristaltische beweging.

Soms worden rectale en vaginale bloedingen waargenomen. Het komt ook voor, dat zulke dieren plotseling sterven, zonder dat de genoemde ziekteverschijnselen zijn waargenomen, ofschoon in den regel een bonzende frequente en onregel-

Sluiten