Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Conclusie.

Het is na het bovenstaande duidelijk, dat de Staatscommissie de eerste haar in hare opdracht voorgelegde en in den aanvang van dit hoofdstuk opgenomen vraag aldus bevestigend beantwoordt, dat met het oog op de in die vraag genoemde factoren nl. de gevaren voor den Nederlandschen veestapel en de oeconomische schade aan de ziekte verbonden, het mond- en klauwzeer is te bestrijden, en bij die bestrijding de leiding in handen van den Staat moet blijven berusten, in onderstelling van medewerking der belanghebbenden.

In hoever in verband met dit standpunt het veeartsenijkundig Staatstoezicht reorganisatie behoeft en de medewerking der belanghebbenden wettelijk is te verzekeren en te regelen, wordt in hoofdstuk V § $ behandeld.

Eene minderheid der Staatscommissie, bestaande uit de Heeren Prof. Dr. L. de Blieck en E. Wesbonk gaat met bovenstaande conclusie en het betoog, waarop deze berust, niet geheel mede. Haar oordeel is het volgende: het algemeen belang bij de bestrijding van het mond- en klauwzeer staat verre ten achter bij het belang der veehouders. De schade, welke de ziekte veroorzaakt en in dit hoofdstuk is besproken, kan aanmerkelijk worden verminderd, indien de veehouders de dieren willen verplegen en behandelen zooals het behoort en meer veeartsenijkundige hulp willen inroepen. Door gebruik v*n immuunserum en serum of bloed van herstelde dieren, welke middelen in voldoende hoeveelheid beschikbaar moeten zijn, kan aan de ziekte het boosaardig karakter grootendeels worden ontnomen.

Het karakter der ziekte motiveert derhalve niet, dat zij van Staatswege moet worden bestreden.

Men kan zich nu op het standpunt stellen, hetwelk de minderheid ook inderdaad inneemt, dat het beter is door afdoende maatregelen de uitbreiding der ziekte te voorkomen, dan de schade en den last van het doorzieken te riskeeren. Doch de beslissing hieromtrent moet, naar de meening der minderheid, aan de direct belanghebbenden worden overgelaten. Wanneer dezen, zooals tot nog toe, zich steeds hebben verzet tegen de maatregelen van Staatswege genomen, dan eischt het algemeen belang geenszins, dat die maatregelen toch worden voortgezet.

De Regeering dient ten opzichte der mond- en klauwzeerbestrijding slechts adviseerend en onderwijzend op te treden.

Verlangen de veehouders, die hunne wenschen door hunne organisaties kenbaar kunnen maken, dat de ziekte door strenge politiemaatregelen wordt bestreden, dan dient de overheid, die zich kan laten voorlichten door eene commissie van vertegenwoordigers der organisaties en daarbuiten staande deskundigen, te overwegen, of de verschillende omstandigheden voor eene dergelijke bestrijding gunstig zijn. Zij schrijve dan die maatregelen voor, welke zij noodzakelijk acht

Sluiten