Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Uit het onderzoek, door Prof. de Blieck ingesteld en uit vele mededee„lingen in de literatuur is gebleken:

dat bloed of serum van runderen, die 3 a 6 weken hersteld zijn van „mond- en klauwzeer, bij jonge kalveren en biggeny die aan de besmetting zijn „blootgesteld, in een bepaalde hoeveelheid ingespoten, voldoende beschuttende „kracht bezit om de ziekte bij deze dieren geheel te voorkomen of in elk geval haar „boosaardig karakter te ontnemen.

„2". dat het noodzakelijk is te zorgen, dat bij het voorkomen eener epizoötie, „zoo spoedig mogelijk dergelijk bloed op verschillende plaatsen in het land verza„meld wordt en ter beschikking van de veeartsen wordt gesteld."

In dit verband mag ook niet onvermeld blijven, dat er van 25—28 Mei 1921 op initiatief van de Fransche Regeering te Parijs een internationale conferentie is gehouden voor de studie van besmettelijke ziekten van dieren, op welke conferentie ook de Nederlandsche Regeering vertegenwoordigd was.

Op deze conferentie werden de in dit hoofdstuk behandelde vragen uitvoerig besproken en men heeft zich daar met betrekking tot de noodzakelijkheid van het wetenschappelijk onderzoek op hetzelfde standpunt geplaatst als de Staatscommissie te dezer zake inneemt.

De Conferentie heeft n.1. het volgende besluit met algemeene stemmen genomen :

De Conferentie is van oordeel:

1. Dat er aanleiding bestaat met kracht de onderzoekingen ter zake van de bestudeermg van het mond- en klauwzeer voort te zetten, in het bijzonder met het doel om wetenschappelijke behandelingsmethoden te scheppen of de immunisatie der aan besmetting blootgestelde dieren te verkrijgen.

2. Dat het wenschelijk is dat, zonder dat eenigszins de onafhankelijkheid der onderzoekers wordt aangetast, de verschillende laboratoria, die op de studie van het mond- en klauwzeer zijn ingericht, met elkander in verbinding komen en dat zelfs de negatieve of slechts gedeeltelijk hetzij in het laboratorium, hetzij in de praktijk verkregen resultaten, terstond worden medegedeeld en op een centraal punt worden verzameld.

In de tweede resolutie ligt voor een deel de beantwoording van het slot van vraagpunt 2 van de opdracht der Staatscommissie n.1. „zoo ja, op welke wijze moet dit onderzoek plaats vinden en hoe kan de Regeering daaraan bevorderlijk zijn." In elk land zullen zooveel mogelijk onderzoekers aan het werk gaan; tusschen de verschillende instituten, die op het gebied van mond- en klauwzeer onderzoekingen verrichten, zal een band gelegd worden. Zij zullen elkaar op de hoogte houden van hunne resultaten en hunne bevindingen, zoowel op het labora-

Sluiten