Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 3 NATIONALE BESTRIJDING. A. Inleiding.

Hoezeer van internationale bestrijding van het mond- en klauwzeer inderdaad een belangrijk succes mag worden verwacht en hoezeer de in de vorige paragraaf geciteerde bepaling uit het Volkenbondsverdrag de gegronde hoop doet koesteren, dat het nut van internationale samenwerking op dit gebied door de Leden van den Volkenbond inderdaad zal worden beseft, toch zullen ongetwijfeld ook in het gunstigste geval nog jaren moeten verloopen aleer eene deugdelijk georganiseerde internationale bestrijding der ziekte een aanvang kan nemen.

1 let is daarom voor een land als Nederland een allereerste vereischte, op eene zoo afdoend mogelijke nationale bestrijding bedacht te zijn.

De Staatscommissie meent, dat hierbij moet worden voorop gesteld, dat het mond- en klauwzeer voor Nederland niet als eene inheemsche ziekte is te beschouwen en dat de ziekte telkens van buitenaf wordt ingevoerd, waarbij een voorbehoud is te maken ten opzichte van de smetstofdragers en de tenaciteit van de smetstof.

Over de twee laatstgenoemde factoren is reeds uitvoerig gehandeld in Hoofdstuk II §§ 2 en 3. Hier zij daarom volstaan met er aan te herinneren, dat onder bepaalde omstandigheden de levensvatbaarheid van de smetstof langen tijd kan duren en dientengevolge dieren ook na hun herstel nog gedurende zekeren tijd, soms zelfs maanden lang, smetstof bij zich kunnen dragen, waardoor zij soms op onverwachte tijdstippen de oorzaak van hernieuwd optreden van de ziekte kunnen zijn.

Afgezien van dit verschijnsel moet als vaststaande worden beschouwd, dat het mond- en klauwzeer uit den vreemde in Nederland wordt ingevoerd.

Daaruit vloeit voort, dat bij de nationale bestrijding der ziekte allereerst moet worden onderzocht, hoe op de beste wijze de ziekte buiten de landsgrenzen kan worden gehouden, welke afweermaatregelen dus zijn te nemen om te verhoeden dat het mond- en klauwzeer de landsgrenzen overschrijdt.

Wel vormen de grenzen als zoodanig reeds een belemmering tegen de ziekte, zooals blijkt uit de ervaring in 1914 opgedaan (zie blz. 17 en 18 van het rapport over mond- en klauwzeer 1912- 916, Nr. 4 van de verslagen en mededeelingen der Directie van den Landbouw 1916), doch desondanks is het een feit, dat de geschiedenis van het mond- en klauwzeer in Nederland leert, dat deze ziekte langs de landgrenzen wordt binnen gebracht. Vrijwel elke epizoötie treedt op met enkele sporadische gevallen aan de grenzen, uitloopers van de gevallen die

Karakter der nationale bestrijding.

Sluiten