Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedoelde wijze kan worden verboden of beperkt, in de Veewet 1920 uitgebreid. Voor 't eerst treft men thans n.1. hoornen, klauwen, hoeven, borstels en beenderen in die lijst aan.

Ter uitvoering van art. 15 der Veewet 1870 is bij Koninklijk besluit van 8 December 1870 S. 194 de in- en doorvoer van buitenslands van rundvee, schapen, bokken en geiten en van versche huiden, versch en gezouten vleesch, ongesmolten vet, mest, onbewerkte wol, onbewerkt haar, klauwen, hoornen en van allen afval van genoemde dieren verboden. Eenzelfde verbod is bij Koninklijk besluit van 14 Augustus 1888 S. 142 ten opzichte van varkens, versch en gezouten varkensvleesch en van ongesmolten vet, klauwen, mest en verderen afval van varkens uitgevaardigd.

Beide Koninklijke besluiten openen de mogelijkheid, dat wegens bijzondere redenen afwijking van het verbod onder de noodige waarborgen tegen overbrengen der besmetting, d.w.z. voorwaardelijke afwijking, wordt toegestaan en in zoover geldt de zooeven gemaakte opmerking, dat art. 12 der Veewet 1920 door het uitdrukkelijk veroorloven van het voorwaardelijk toestaan van in- en doorvoer dus feitelijk de reeds lang bestaande praktijk bevestigt.

De Staatscommissie is van oordeel, dat inderdaad een absoluut in- en doorvoerverbod ten opzichte van vee bezwaren kan opleveren. Zij kan echter alleen dan instemmen met een voorwaardelijk toestaan van den in- en doorvoer van vee, indien tegelijkertijd aan de grenzen van Rijkswege in voldoenden getale quarantaineinrichtingen worden gevestigd, alwaar al het inkomend vee behoorlijk in observatie wordt genomen. Dit geldt ook voor invoer van overzee.

De beschikking van de Ministers van Landbouw, Nijverheid en Handel en van Financiën, d.d. 15/19 September 1913 stelt regels, waarnaar de in- en doorvoer van artikelen afkomstig van rundvee, schapen, bokken, geiten en varkens en eenhoevige dieren kan worden toegestaan. Hierbij moet allereerst worden opgemerkt, dat art. 2 van het bovenvermeld Koninklijk besluit van 8 December 1870 S. 194 het in- en doorvoerverbod niet van toepassing verklaart op eenige aldaar genoemde artikelen, indien deze rechtstreeks uit landen buiten Europa worden aangevoerd. De Staatscommissie acht het met 't oog op het besmettingsgevaar, hetwelk deze artikelen bij aankomst hier te lande nog kan aankleven, bedenkelijk rechtstreekschen aanvoer van die artikelen uit andere werelddeelen onbeperkt toe te laten en zij meent dus, dat art. 1 van meergenoemd Koninklijk besluit van 8 December 1870 S. 194 en derhalve ook de regelen van de voormelde Ministerieele beschikking d.d. 15/19 September 1913 moeten worden uitgestrekt tot rechtstreekschen aanvoer uit landen buiten Europa; art. 2 van het Koninklijk besluit van 8 December 1870 zoude dus moeten vervallen.

Eene verdere beschouwing van de in dat Koninklijk besluit getroffen

Sluiten