Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sub 2°. is niet voorzien in de Regelen 1899.

Wat Duitschland betreft is het echter aan de Staatscommissie gebleken, dat de betrokken Duitsche Burgemeester behalve eene certificeering van de herkomst van het vee, menigmaal ook eene verklaring omtrent het niet voorgekomen zijn van besmettelijke veeziekten verstrekt.

Wat België betreft, wordt te dezen aanzien toepassing gegeven aan een betreffend voorschrift van de op 30 Maart 1894 te 's-Gravenhage tusschen Nederland en België gesloten overeenkomst tot regeling der toelating van den invoer van vee en mest voor beweiding, beakkering en bemesting der grenslanderijen. Deze overeenkomst, bij de wet nimmer bekrachtigd, doch wel te dien einde aan de Tweede Kamer indertijd aangeboden (zie Bijlagen Tweede Kamer zitting 1894/1895 stuk n°. 136, behelzende wetsontwerp met overeenkomst, bijbehoorend reglement en annexe verklaring alsmede het voorloopig verslag der Kamer) treft over 't algemeen eene analoge voorziening als later in de Regelen 1899 neergelegd, met deze uitbreiding dat zij niet alleen voor Nederland, doch ook omgekeerd voor België ten opzichte van invoer van mest en vee uit Nederland geldt. Sub b van het vorenbedoeld reglement, eene bepaling, die overigens niet door duidelijkheid uitmunt, wordt nu in de praktijk aldus opgevat, dat de Nederlandsche districtsveeartsen en de Belgische veeartsenijkundige inspecteurs elkaar onverwijld o.m. van de besmettelijke veeziekten kennis geven.

Is de vergunning tot invoer van vee verleend, dan geschiedt ingevolge art. 6 der .Regelen 1899* nog keuring van het vee door den districtsveearts of een zijner plaatsvervangers of door een ander geëxamineerd veearts, en wel hetzij bij den invoer, hetzij op verlangen van den betrokkene, op diens erf vóór den invoer.

Goedgekeurde dieren ontvangen een merk en hun signalement moet in de vergunning worden vermeld. Dagelijks of op gezette tijden heen en weer over de grens gevoerd wordende dieren, worden maandelijks gekeurd.

De vergunning tot invoer wordt blijkens art. 2 als regel voor één jaar verleend, tenzij bijzondere omstandigheden het stellen van een korteren termijn noodzakelijk maken. In elk geval moet echter het voorbehoud van tusschentijdsche intrekking gemaakt worden. Art. 8 gebiedt in aansluiting hieraan de intrekking der vergunning:

a. wanneer in de gemeente van herkomst of in de daaraan grenzende buitenlandsche gemeenten veepest, longziekte, mond- en klauwzeer of schaapspokken voorkomen;

b. wanneer de houder der vergunning de voorwaarden niet stipt naleeft. Daarnaast vorderen de Regelen terugvoer van het ingevoerde vee over de grens:

Sluiten