Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

♦regt hebben van heen en weder te gaan met hunne voor den landbouw bestemde ♦werktuigen, hun vee, hunne gereedschappen, enz. enz., van het eene gedeelte

♦ der aldus door de grenslijn doorsnedene bezittingen, naar het andere, zonder ♦aanzien van het verschil van heerschappij; van op gelijke wijze, van de eene ♦plaats naar de andere te vervoeren, hunne oogsten, alle de voortbrengselen van

♦ den grond, hun vee en alle de voortbrengselen van hunne nijverheid, zonder ♦passen noodig te hebben, zonder belemmeringen, zonder leenschatting en zonder »eenig regt hoegenaamd te betalen.

♦Deze gunst strekt zich echter niet verder uit, dan tot de voortbrengselen

♦ der natuur of van nijverheid, in het aldus door de grenslijn doorsneden grondgebied.

♦ Op gelijke wijze, strekt dezelve zich alleen uit tot de aan denzelfden eigenaar

♦ toebehoorende landerijen, in den bepaalden omtrek van eene mijl, van vijftien in

♦ den graad, aan wederzijde, en welke door de grenslijn doorsneden geworden zijn.<

Art. 33 van het bovenvermeld grenstractaat van Aken luidt:

♦ De landbouwers, wier eigendommen gedeeltelijk aan deze en gedeeltelijk ♦aan gene zijde der grenzen gelegen zijn, zullen stalmest, allerhande stroo, strooisel ♦en andere mestsoorten voor het bebouwen hunner landen kunnen in- en uitvoeren, ♦alsmede alle soorten van ingezamelde oogst, zonder aan eenig regt, hetzij van

♦ in-, uit- of doorvoer of ander van dien aard, onderhevig te zijn. Het zal genoegzaam wezen, dat zij door certificaten van het plaatselijk bestuur doen blijken, ♦dat zij eigendommen aan gene zijde der grenzen bezitten en bebouwen, zonder ♦zich echter te mogen onttrekken aan het onderzoek der to'Heambten of anderen,

♦ die wettig belast zijn de gevallen van sluiking na te gaan, wel te verstaan, dat »die tolbeambten geene nasporingen dan op hun respectief grondgebied zullen

♦ mogen doen.*

Art. 37 van het grenstractaat van Kleef is gelijkluidend, behoudens de toevoeging van de bevoegdheid om insgelijks de weibeesten over en weder te drijven.

Art. 7 van het grenstractaat van Meppen geeft in eenigszins andere bewoordingen analoge bevoegdheden als art. 33 van het grenstractaat van Aken.

Welke beteekenis moet nu aan oovengemelde tractaatbepalingen worden toegekend, met het oog op het in dit rapport behandelde onderwerp?

De Hooge Raad heeft in een tweetal recente arresten, uitspraken over de aangehaalde bepalingen gegeven. Bij arrest van 3 Maart 1919 (W. 10402) werd beslist dat art. 33 van het tractaat van Aken aan de gemengde eigenaren niet alleen vrijdom van fiscale rechten verleent, doch blijkens zijne wordingsgeschiedenis, doel en strekking in dien geest is te verstaan, dat aan de gemengde eigenaren toekomt het door ieder te eerbiedigen recht, om vrijelijk, behoudens aangifte bij de ambtenaren der douane, de producten van het deel van hun eigendom in

Sluiten